De ergernis van het evangelie van vandaag begint niet met de tegenstelling tussen de ‘schriftgeleerden’ en de ‘arme weduwe’, tussen hen ‘die de huizen der weduwen opslokken’ en haar die ‘alles waar ze van leven moest’ offert. De tegenstelling tussen het echt geloof van de vrouw en het formeel gedoe van de schriftgeleerden is een grote ergernis. Groter nog wordt de ergernis waar het evangelie ingeleid wordt door het verhaal over de weduwe van Sarefat. Daar wekt God zelf ergernis. Bij monde van zijn profeet Elia vraagt Hij de weduwe alles te geven wat ze heeft, ‘alles waar ze van leven moest’, haar laatste voorraadje in de hongersnood, in tijden van grote droogte en onvruchtbaarheid: ’een handvol meel in de pot en een beetje olie in de kruik’. Meer nog, God schijnt het voor zichzelf op te eisen, want ‘aan de arme gegeven is Gode geleend’, maar aan de profeet gegeven is als aan God zelf gegeven. Het is alsof ‘Jahwe, de God van Israël’, zelf het voorbeeld geeft om de armsten uit te zuigen. Deze ergernis is groter dan die van het evangelie. Bovendien is de weduwe van Sarefat geen Hebreeuwse, zij is geen ‘dochter van Abraham’. Zij is uit Fenicië, uit wat nu Libanon is. Zij vereert Jahwe niet en kent nauwelijks de God van Israël. Zij is een heidense. Indien de priesters het laatste broodje zouden weghalen van de armentafels in een derde wereld! Het zou nog meer koren zijn op de reeds rijke molens van de stoute jongens, van de professionele aanklagers, van de gezeten schrijvers over alle onrecht.
Maar God lacht met onze onzuivere ergernis en met die van de schrijvers met het zuiver geweten. Het is Hem voorlopig gelijk of wij ‘voor de schijn lange gebeden verrichten’, dan wel voor de schijn lange artikels schrijven. Hij maakt geen onderscheid tussen schriftgeleerden en kritische schrijvers. Het gaat hem echt om de armen. Hij helpt ze echt. Hij doet zelfs een wonder voor hen. ‘Toen ging zij heen en deed wat Elia gezegd had en dag na dag hadden zij te eten, zij en haar gezin. De pot met meel raakte niet leeg en de kruik met olie niet uitgeput naar het woord dat Jahwe gesproken had door Elia’.
De weduwe van Sarefat, ja, maar de weduwe van het evangelie? Het wonder blijft uit voor haar. Alles blijft zoals voorheen. De armen blijven alles geven, ‘het volk’ blijft ‘koperstukken’ schenken en ‘menige rijke’ laat nog steeds ‘veel’ in de ‘offerkist’ van de tempel vallen. Blijft ook onze ergernis over het evangelie niet? Ze blijft zolang we niet kijken met de ogen van de arme weduwe en van Jezus zelf, met Gods ogen. Het zijn de ogen van de Messias, van hen die Hem vroeger verwachtten, die nu met Hem leven, en die uitkijken naar zijn komst in heerlijkheid, zijn komst die alles voorgoed heerlijk zal maken, van hen die nu zoals Hij vroeger, in hoop op die heerlijkheid, hun kruis dragen.
Het zijn zij die alles geven die hoop hebben, die nu reeds vreugde hebben, die nu reeds ontvangen. Wij en de anderen zoals wij, die niets geven, of die alleen van onze overvloed geven, of vanuit onze overvloed spreken of schrijven, of die protesteren in plaats van te geven, of die protesteren en geven tegelijk, blijven ons ergeren. Bij de ‘arme weduwe’ is het alleen maar geven. Zij ergert zich niet.
Zij zuivert de tempel, zoals Jezus de tempel zuivert, wel door de kopers en verkopers eruit te slaan, - dat kan de arme weduwe niet -, maar ook door voor hen zijn leven te geven, zoals voor de arme weduwe, door voor iedereen alles te geven. Gave aan God of aan de tempel, aan de profeet of aan de arme, is overgave, offergave. Het is gave van het eigen leven. Het is kruisgave, die de nieuwe eredienst mogelijk maakt, dienst aan God en aan de mensen, liefdedienst die zich niet ergert.