In de eerste christengemeenten waren er meer armen dan rijken en automatisch wilden de rijken de eerste plaatsen innemen. Dat lezen wij heel duidelijk in de brieven van de apostelen. Het verhaal uit het evangelie wil ons duidelijk maken hoe Jezus denkt over arme mensen.
Wat die arme vrouw in de offerblok stak, was werkelijk de moeite niet waard. Twee penningen. Maar voor Jezus was het iets zo geweldigs dat Hij er zijn apostelen bij riep en vroeg: ‘Heb je dat gezien?’ Natuurlijk hadden zij dat niet gezien, zij hadden wel de blinkende goudstukken en de rinkelende zilverstukken van de rijken gezien. Veel geld! Jezus ontkent dat niet. Hij telt zoals wij en Hij weet ook dat honderd meer is dan een. Maar Jezus telt dan toch ook weer anders dan wij. Hij telt niet alleen wat Hij ziet, Hij telt iets mee, waar wij gewoonlijk overheen zien: de gezindheid van het hart. En als je dat erbij telt, dan wordt uit weinig veel, wordt het kleine groot en het geringe kostbaar: ‘Deze vrouw heeft het meest van allen gegeven’. Jezus ziet niet alleen naar de gave, maar vooral naar de gever.
In de bijbel is de gever het voorbeeld van iemand die geen bestaansmogelijkheid heeft. De beide weduwen waarvan in de lezingen sprake is, geven heel hun bestaansmogelijkheid prijs om alleen op God te vertrouwen. De weduwe van Sarefat deelt haar laatste restje meel en olie met de profeet. Hetzelfde doet de weduwe uit het evangelie, zij offert haar laatste twee penningen, ‘alles waarvan ze leven moest’, of zoals er letterlijk staat: ‘Zij wierp haar hele leven in de offerkist’. Beide vrouwen geven zichzelf onvoorwaardelijk aan God, de eerste via de zorg voor de profeet, de tweede via haar liefde voor de eredienst.
Zo worden deze weduwen ons tot voorbeeld gesteld: de innerlijke bereidheid tot delen en geven bepaalt de waarde van de gave. Zij zijn ook modelgelovigen, die bereid zijn los te laten wat de mensen rondom ons krampachtig als zekerheden vasthouden, zij laten alles los omwille van de zekerheid die men God noemt. Zij laten God voluit God zijn in hun leven.
In die vrouw heeft Jezus zichzelf herkend. Als Hij over haar spreekt, spreekt Hij over zich zelf. Jezus heeft zichzelf geofferd, zegt de tweede lezing. Daarom plaatst Marcus dit verhaal heel dicht bij het lijdensverhaal. Die vrouw gaat stil voorbij en Jezus roept haar niet terug. Hij laat haar voorbijgaan, zonder een woord van troost of bemoediging. Niemand hoort of ziet nog iets van haar. Zo herkent Jezus zichzelf in haar, ook Hij zal in uiterste eenzaamheid alles uit handen geven, alles aan God geven wat God toekomt.
Is het eigenlijk niet verwonderlijk, wat een diepzinnige les dit eenvoudig tafereel uit het alledaagse leven van Jezus, ons geven kan? De vriendschap van Jezus wordt niet afgemeten met de maatstaf van getallen of uiterlijke prestaties. Wat voor God telt is alleen de liefde waarmee gegeven wordt. Voor God telt wat uit het hart komt. Anders uitgedrukt wil dat zeggen: beslissend voor wat we geven is ook wat wij van onszelf geven. Als iemand mij zijn vertrouwen schenkt, dan geeft hij mij meer dan zijn geld. Als iemand mij zijn tijd geeft, kan dit mij meer gelukkig maken dan geld.
Onze parochie hoeft zich niet te verliezen in uiterlijke bedrijvigheid, hoeft niet de koppen van de krant te halen, het is voldoende dat we geven en delen. De ‘groten’ in onze parochie zijn niet per se de mensen die het meest presteren, het gaat niet om het uiterlijk vertoon, maar om de gezindheid, om de liefde die onder alles schuil gaat.
Hadden wij maar wat meer de mentaliteit van deze weduwen als voorbeeld van wat liefde kan, als voorbeeld van wat Jezus zelf deed om ons te laten zien hoever de liefde kan gaan.