Heer, geef dat ik zien kan

B-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

Als wij een perikoop uit het evangelie lezen, dan zouden wij daar zolang bij moeten blijven stilstaan, totdat wij onszelf in het verhaal terugvinden.

In Jezus kan ik mezelf moeilijk terugvinden, daarvoor ben ik te klein, ik kan de ogen van een blinde niet openen. Misschien kan ik me ook moeilijk terugvinden in die blinde langs de weg, zo erbarmelijk voel ik me niet. Ik kan me misschien nog het beste terugvinden in die groep mensen die Jezus vergezelden. Zij waren zozeer in de ban van Jezus dat zij geen oog hadden voor datgene wat links en rechts van hen gebeurde. Zeker zagen zij die blinde langs de weg zitten, maar hun ogen waren gesloten voor het leed van die man: ‘Hou je mond’, snauwden zij hem toe.

Daar zat die blinde man, terwijl de menigte voorbijtrok. Hij hoorde niet bij hen, totdat Jezus bleef stilstaan. Hij had zijn geroep gehoord: ‘Jezus, ontferm U over mij!’ ‘Roep hem eens hier’, zei Jezus tot de menigte rond Hem. Dan gebeurt er iets heel bijzonders. Tussen Jezus en de blinde staat een groep mensen, zij staan daar niet zo maar, nee, zij waren absoluut nodig om de blinde bij Jezus te brengen. Maar voordat Jezus de menigte bewoog om de blinde bij Hem te brengen, opende Hij hun ogen en hun hart. Doordat Jezus zich om de blinde bekommerde, bracht Hij hen ertoe naar de blinde om te zien. Zij spraken nu een heel andere taal, zij snauwden hem niet meer toe: ‘Hou je mond’, maar zij bemoedigden hem hartelijk: ‘Heb goede moed, sta op, Hij roept je!’ Zij zijn het die hem naar Jezus brengen.

Ja, bij die groep mensen zou ik wel willen zijn. Samen met Jezus de weg door het leven gaan, opletten waar Jezus blijft staan, niet vooruitlopen, maar stilstaan en zien en luisteren naar wat de mensen aan de rand van de weg roepen en doen, mensen naar Jezus brengen. De weg van de navolging gaat niet aan het leed van de mensen voorbij; integendeel, wij moeten alle lijdende mensen naar Jezus brengen en hun zeggen: heb goede moed! Dat is eigenlijk de taak van de Kerk: niet blindelings voorbijgaan aan de roep van de mensen die leven aan de rand van de maatschappij, hun moed geven en hen naar Jezus brengen. Meer heeft de Kerk eigenlijk niet te doen. En toch is dat weer niet zo gemakkelijk. Wij zijn soms zozeer met onszelf bezig in onze zorg om bij Jezus te blijven, dat wij geen oog en geen hart hebben voor de mensen langs de weg, marginalen noemen wij die vandaag de dag met een deftig woord.

Wij mensen menen vaak dat wij zelf die marginalen moeten helpen. Maar die mensen roepen eigenlijk niet om ons, maar om God. De Kerk houdt zichzelf misschien voor te belangrijk, als zij meent zelf de ogen van blinden te kunnen openen. Wij kunnen veel minder, maar toch is het weer niet weinig wat we kunnen. Wij kunnen de blinden roepen, hun moed geven, hen naar Jezus brengen. Maar wij moeten altijd uitkijken dat wij niet in de weg staan tussen de blinden en Jezus.

Jezus laat de blinde zelf zeggen, wat hij wil: ‘Wat kan ik voor je doen?’ De blinde kan zien doordat hijzelf mag uitspreken, wat vanzelfsprekend is: ‘Geef dat ik zien kan’. En Jezus zegt: ‘Je geloof heeft je gered'.

Geloof is eigenlijk een heel diepzinnig gebeuren tussen God en mens. Het luide roepen van de blinde, het bemoedigen door de anderen, het wegwerpen van de mantel, het uitspreken van de nood, dat alles zijn wezenlijke elementen van het geloof. Door zo’n samen gedragen geloof kan de blinde zien en Jezus volgen op zijn weg.

Nu vraag ik me op het einde af, of ik zelf misschien toch ook niet die blinde ben. Zoveel mensen kan ik niet zien, omdat ik geen hart voor hen heb. Voor zoveel leed, dichtbij en veraf, heb ik geen oog, zoveel hoopvolle dingen in de Kerk neem ik niet waar, ik zie vaak geen uitweg in mijn beperktheid.

Het is goed dat ik de mantel van mijn zelfverzekerdheid wegwerp en roep: ‘Jezus, ontferm U over mij!’ Geloofde ik maar zoals die Bartimeüs, dan zou Jezus me zeker ziende maken.

Zoeken in Preken Online