Soms zeggen we van iemand dat hij/zij een verkeerd Godsbeeld heeft. Dat klinkt goed, maar meestal komen wij er moeilijk toe te zeggen wat we daarmee precies bedoelen. En… de andere snapt dat ook niet. En we gaan over naar het volgende punt op de agenda.
Het is blijkbaar niet goed en niet vruchtbaar de vraag zo te stellen. Toch stelt Marcus vandaag deze vraag, maar hij stelt ze wel anders. Hij gaat uit van een min of meer zakelijke vraag die daar op het eerste gezicht weinig of niets mee te maken heeft. Ze heeft daar echter wel mee te maken, laten we zeggen, op het tweede gezicht.
Het gaat om een vraag van de zonen van Zebedeüs, Johannes en Jakobus. ‘Meester, wij willen dat U voor ons doet wat wij U vragen’! Dat is dus hun vraag. Het is een eis: doen wat wij willen. En wat zouden de heren dan zoal willen? Een plaats in de glorie, één links en één rechts. Voilà. Daarop komt in Jezus de pedagoog boven: wilt ge dan ook mijn beker drinken en mijn doopsel ondergaan? Ja, geen probleem, dat nemen ze er nog bij. Als ze maar… Dan zegt Jezus, opnieuw als goede pedagoog: laten we dan beginnen met het begin. Die beker zult ge drinken en die doop zult ge ook meemaken. Dat is het zékere punt in de discussie. Laten we daarvan uitgaan.
In de logische orde is dat inderdaad het realistische uitgangspunt: laten we beginnen met het eerste punt. Over de uitkomst en de aankomst praten we later wel.
Nu klinkt dat allemaal zeer aannemelijk maar zo simpel ligt het niet. Ze zeggen het wel, maar zij willen die beker niet drinken en zij willen die doop helemaal niet ondergaan. Hier, in het gesprek, wel natuurlijk. Maar eerst eens zien wat ze zullen doen morgen, als het er echt op aankomt, als de vraag geen theorie meer zal zijn. Dan zullen ze nog wel dromen van de glorie maar dan zal de beker te giftig zijn en het water te nat. Dan zullen ze zeggen: laat die beker aan ons voorbijgaan…
Zij stellen dus een totaal verkeerde vraag. Ze hebben met andere woorden een verkeerd Godsbeeld. God is niet zoals zij Hem voorstellen. Hij belooft niet alleen een aankomst. Hij heeft eerst en vooral een programma: te plaatsen voor de aankomst, een programma voor onderweg. Dat ze dus maar beginnen op die weg te gaan.
Dat is Marcus op zijn best. Hij zit hier volledig in zijn onderwerp. En voor één keer hebben de andere leerlingen, die anders al even verblind waren door glorie, het juist begrepen. Jakobus en Johannes waren nu toch een beetje te grof, te brutaal geweest.
En dan volgt wat Marcus eigenlijk wil zeggen. De heersers van de volkeren, de heidenen, stellen dit soort vragen. Zij willen macht en glorie, zij werken met gunstjes en omkoperij, zij delen hoge posten uit, zij laten delen in de praal. En daarvoor hoef je geen beker te drinken en daarvoor hoef je geen vuurdoop te ondergaan. Dat krijg je allemaal als je mij maar dient!
In het Rijk Gods gaat dat anders. Daar is de grote mens degene die zich klein maakt, die de anderen dient. Daar wordt niet over glorie gesproken maar over de mensen die nog nooit in hun leven van glorie hebben kunnen of durven dromen. Die mensen van links en rechts dienen en eer-bieden, dat is het Rijk Gods. Dat is de nieuwe orde. Dat is het juiste Godsbeeld.
En om volledig te zijn: de mensenzoon zal u tonen hoe het moet. Hij zal beginnen met de beker te ledigen en hij zal de vuurdoop, de bloeddoop niet uit de weg gaan. Daarop zal de Vader zeggen: zit aan mijn rechterhand.
De bloemen ontvang je na de koers en de echte beker na de harde bekerwedstrijd. Begin dus maar. Dat is het juiste Godsbeeld.
Het onze zal dus ook wel verkeerd zijn. Wij dromen ook van een machtige God die wel zal gehoorzamen als wij Hem willen vereren met ons tot Hem te richten: doe voor ons wat wij willen.
Wij kennen voortaan het antwoord.