Bazen en Knechten (2000)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen

Wie de baas mag spelen wordt uitgevochten in een strijd die er van afstand soms nogal kolderiek uitziet, maar die van dichtbij meestal bittere ernst is. In Servië was het bittere ernst, in de Verenigde Staten ziet het er minder grimmig uit tussen Al Gore en George Bush. Het is een strijd die alle varianten kent. Mensen die uit zijn op macht hebben daar dikwijls heel veel voor over.Je hoort dezer dagen ook wel eens zeggen: “Ik zou geen president van de Verenigde Staten willen zijn”. Dat is behalve een geruststelling ook nog eens het zich neerleggen bij het feit dat de kans daartoe is verkeken en zich waarschijnlijk nooit heeft voorgedaan. Toch is het maar goed dat er mensen zijn die dat wel willen, “want iemand moet toch de kar trekken”, zeggen we dan. Het lijken er slechts enkelen te zijn die op zoek zijn naar de pap waarin zij een grote vinger kunnen houden, maar dat is schijn. De verleiding van macht en aanzien: wie kent het niet? Gezien willen worden, of meer dan dat: geëerd en geroemd. Niemand wil naamloos blijven, ongekend en onbemind. Het is toch heel menselijk om te willen ontstijgen aan de grijsgrauwe anonimiteit?

Maar tot hoever wil je gaan, tot hoever mag je gaan? Ten koste van wie of wat? We schudden terecht het hoofd bij het aanzien van die strijd ver boven onze hoofden, maar in eigen kring, op ons werk, in onze straat, ons huisgezin en zelfs in mijn bejaardenflat zien we hoe edele en minder edele motieven en methodes worden aangewend en we doen er in elk geval wel ergens aan mee om een beetje of veel zeggenschap te verwerven en te behouden. Het is niet alleen heel gewoon, maar wellicht ook noodzakelijk. De moeilijkheid zit ’m in de methodes en die grenzen die we er aan stellen.

Iemand wil het voortouw nemen. Ikzelf misschien. Gebruik ik eerlijke methodes of lieg ik zo hier en daar wat voor, overdonder ik de ander, smeer weer een ander stroop om de mond met mooie praatjes en loftuitingen, dreig ik met onaangename maatregelen als ik geen stem of steun krijg, maak ik mijn medekandidaat alleen maar zwart? Het gaat niet steeds om het presidentschap, het gaat om het penningmeesterschap van de kaartclub, de huismeester van de volkstuintjes, de beslisser over het behang of de zeggenschap over de plaatsing van de straatverlichting. Iedereen heeft wel ergens wat te zeggen. Hoe gaan we daar mee om?

Vandaag die vraag en dan meteen er bij: Toch zeker ten dienste van die medemens vlakbij of ietsje verder weg? De geschiedenis laat mensen zien die zozeer de knecht van iedereen zijn geweest dat ze er totaal onderdoor gingen, profeten van vroeger en nu. Ze hadden en hebben wat te zeggen, waren en zijn wel degelijk de baas, want inzicht en dus zeggenschap, maar dachten zelfs niet een beetje aan dat zo menselijke eigenbelang. Voor zulke mensen hebben we monumenten opgericht, ze worden dankbaar bewonderd en herdacht,maar voor ons gewone zielen is dit toch wat te hoog. Wat voor ons te hoog is blijft wel een uitdaging om tenminste een beetje of liever een beetje veel ons gedrag te toetsen aan hun dienstbaarheid. We lezen in de krant, welnee we lezen in het evangelie van vandaag over twee presidentskandidaten die een plekje naast de Algemene Leider verlangen.

Kolderiek, maar ze menen het echt. De reacties zijn , zoals altijd heftig: Wat een eigendunk, wat een brutaliteit! En die reacties komen vooral van degenen die zelf ook al zo’n comfortabel plaatsje in hun hoofd hadden. Ze worden door Jezus niet bestraffend toegesproken, want het is zo menselijk en leiders zijn nog eens nodig ook. Ze krijgen wel een lesje over dienstbaarheid, jezelf wegcijferen en het wordt hun op een onnavolgbare manier voorgedaan hoe je dat doet en welke vernietigende gevolgen dat soms voor je kan hebben. Zij, die apostelen, haalden dat niet. Wij komen daar nog een heel eind achteraan, halen zulke grote dienstbaarheid ook niet, maar zonder dat idee, dat kan natuurlijk niet, niet als gewoon medemens en dus ook niet als gewone christen.

Zoeken in Preken Online