Vrij worden om Hem te volgen en zijn vrijheid, Gods vrijheid over Jeruzalem en over heel de aarde te verspreiden, komen ’tot de koninklijke vrijheid van de kinderen Gods’, dat is het wat Jezus vraagt en aanbiedt, eist en schenkt terzelfder tijd. Voor de enen is dat nu de weg van het priesterleven of van het religieuze leven. Voor de anderen is het de weg van het leven in de wereld. Voor allen is het de weg naar Jeruzalem. Voor allen is het een moeilijke weg, want allen zijn rijk op hun manier. Maar voor niemand is het té moeilijk. God is met allen die met Hem willen zijn. En ‘voor God is alles mogelijk’. Tot zover de vorige zondagen over de tocht met Jezus naar Jeruzalem.
Moeilijk, te moeilijk, onmogelijk: Jezus volgen tot in Jeruzalem, het evangelie volgen in zijn leven, is geen zaak van kleine of grote inspanning. De inspanning maakt er deel van uit. Maar de inspanning maakt deel uit van élk leven. Zonder wil is er geen leven dat tot iets leidt. Mens zijn is willen mens zijn. Dat geldt voor iedereen, christenen, Joden en heidenen. Ook christen zijn is willen christen zijn. Toch is dat willen niet het eerste en het laatste. Het verhaal van deze zondag is hierover klaar. Met Jezus naar Jeruzalem opgaan is met Hem in gemeenschap treden. Het heeft meer met de liefde dan met de wil te maken. De wil heeft ook wel met de liefde te maken. Dat leert het leven. Wie liefheeft moet de liefde ook onderhouden, hij moet er iets willen aan doen, hij moet eraan werken. De liefde ontstaat vanzelf, maar groeit niet vanzelf. De wil komt er wel degelijk aan te pas.
‘Hetzelfde willen en niet willen is ware vriendschap’. Elkaar willen is ware liefde. Het verhaal van deze zondag spreekt over Jezus’ liefde voor Jakobus en Johannes - Johannes wordt elders zelfs dikwijls ‘de leerling die Hij beminde’ genoemd -, maar zijzelf zoeken niet de gemeenschap met Jezus, ze zoeken de beste plaatsen naast Hem in zijn glorie. ‘Geef dat in uw glorie een van ons aan uw rechter- en de ander aan uw linkerhand moge zitten’. Hoe scherp staan de twee apostelen daar getekend. Hoe onbeschaamd stellen ze hun vraag. Ze vinden trouwens niet dat er reden is tot schaamte. Ze zijn in staat ‘de beker te drinken’ die Jezus zelf drinkt ’en met het doopsel gedoopt te worden’ waarmee Jezus zelf gedoopt wordt. Tot inspanning zijn ze bereid en sterk is hun wil om hun doel te bereiken. Hun wil is sterk, maar hun inzicht is nul.
Met de andere apostelen is het niet beter gesteld. ‘Toen de andere tien dat hoorden werden ze kwaad op Jakobus en Johannes’, omdat ze natuurlijk zelf op die erezetels rekenden. Jezus zegt tot de twee: ‘Ge weet niet wat ge vraagt Hij kan ook tot de andere tien zeggen: ‘Ge weet niet waarom ge kwaad zijt’. Ze willen allen de meest eervolle plaatsen in het glorieuze rijk dat Jezus zal vestigen. Het is in de hoop die te bekomen dat ze met Hem mee optrekken naar Jeruzalem. Ze willen in zijn koninklijke heerlijkheid delen, in zijn macht en in zijn eer. Daarvoor hebben ze alles over, hebben ze ook alles verlaten. De vraag van Jakobus en Johannes verschilt niet erg van wat Petrus zopas nog opperde: ‘Zie, wij hebben alles prijsgegeven om U te volgen’. Hij wil natuurlijk weten wat hun loon zal zijn. Ze zullen hun deel aan lijden hebben, de beker drinken, in het lijden gedoopt worden, ‘vervolgingen’ kennen, zoals Jezus aan Petrus zei, dat alles schrikt hen niet af, zeker als ze zijn dat de tijd nadert dat ze zullen heersen en ‘gediend worden’, als prinsen in Jeruzalem en in heel Israël.
‘De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen’, antwoordt Jezus nuchter. Niet zij die denken aan heersen en gediend worden bevrijden Jeruzalem en Israël. Het zijn zij die ‘dienaar’ zijn en ‘slaaf’, die dienen en slaven, die vrijheid loswringen in eigen hart en bij anderen, zij die hun ’leven geven als losprijs voor velen’. Wij weten dat zij het zijn die liefhebben en die weten wat ze willen als ze God vragen hun liefde te bevestigen.