De evangelies zijn ontstaan in de eerste jaren na de dood van Christus. In de eerste christelijke gemeenten waren er problemen, zoals die in iedere gemeenschap voorkomen. En in die gemeenten waren er nog mensen die Jezus persoonlijk gekend hadden of toch in heel nauwe betrekking stonden met zijn allereerste leerlingen. Als er dus zo een probleem opdook, herinnerden die mensen aan dingen die Jezus zelf gedaan had of woorden die Hij indertijd gezegd had. Zo was het blijkbaar ook in de gemeente waartoe de evangelist Marcus behoorde, Er waren bv. mensen die erop uit waren een belangrijke rol te spelen. En in dit verband houdt Marcus zijn medegelovigen de daden en woorden van Jezus voor.
Ook dat stukje evangelie dat we zojuist gelezen en gehoord hebben, is dus zo ontstaan. Marcus vertelt zijn gemeente een voorval uit het leven van Jezus. Het is een lesje dat Jezus zijn leerlingen geeft en dat ook nu nog na 2000 jaar heel nuttig is voor ons.
Twee volwassen mannen, Jakobus en Johannes, leerlingen van Jezus, komen, zeker een beetje verlegen, met een wat vreemde vraag bij Jezus: of zij alstublieft ieder op een goed postje mogen rekenen in zijn Rijk; laten we zeggen: de functie van minister-president en die van minister van Buitenlandse Zaken. Zij voelen waarschijnlijk wel aan dat die vraag niet zo prettig zal overkomen bij de anderen, maar zij wagen het er toch op. Om dit incidentje nog beter te begrijpen, moeten we weten dat het plaatsheeft, nadat Jezus al voor de derde keer gezegd heeft dat Hij naar Jeruzalem gaat om daar ter dood te worden gebracht.
De vraag van Jakobus en Johannes toont weer eens aan hoe hardleers de leerlingen van Jezus waren. Het drong maar niet tot hen door dat het Rijk waar Jezus voortdurend over sprak, niet zou zijn: een groot en machtig Joods wereldrijk. Zij konden zich niet ontdoen van hun eng-nationalistische voorstellingen en nog veel minder begrepen zij welke rol hun in dat rijk zou worden toebedeeld. Volgens hun voorstelling zou dat rijk zo iets moeten worden als het Romeinse wereldrijk in hun tijd, of als bv. de Verenigde Staten in onze tijd. En in dat rijk wensten zij een voorname rol te spelen.
Het lesje dat Jezus zijn leerlingen dan voorhoudt, en dat Marcus enkele tientallen jaren later zijn gemeente vertelt, is inderdaad ook voor ons nog van belang. Uit het antwoord van Jezus lichten we één zinnetje: ‘Wie van jullie groot wil worden, moet de dienaar van alle anderen zijn.’
Ook wij hebben nog altijd de neiging om dienaar-zijn te beschouwen als iets minderwaardigs. Maar dan hebben we toch een verkeerde voorstelling van wat Jezus en later Marcus bedoelden. Jezus zegt niet dat je niet mag proberen een leidende rol te spelen in de politiek of op welk ander gebied ook. Dan zou bv. een christen in onze tijd nooit als kandidaat aan verkiezingen mogen deelnemen. Hij bedoelt: Als je dat wilt doen, goed, maar dan mag je doel niet zijn je eigen voordeel, het verwerven van macht, het verkrijgen van een positie van waaruit je anderen kunt dwingen, eisen kunt stellen aan anderen.
Daarom richt Jezus zich ook niet tot de politieke leiders van de volkeren, maar tot zijn leerlingen en daarmee tot ons. Want machtshonger en het verlangen om te commanderen zijn ons allemaal aangeboren. Jezus bedoelt: of je een leidende rol speelt of niet, of je wat te zeggen hebt of niet, of je minister-president bent of gewone onderdaan, werkgever of werknemer, ouder of kind, of je geld hebt of behoeftig bent, buit je medemens nooit uit. Welke plaats je in de gemeenschap ook inneemt, gebruik de invloed die je hebt op de plaats waar je staat, om anderen te dienen, om anderen te helpen, om anderen gelukkig te maken.
In een tijd van crisis wordt het gevaar van machtsmisbruik nog groter. Wij mogen de lasten niet afwentelen op de zwaksten in de maatschappij, de gehandicapten, de bejaarden, de werklozen. Wij moeten allemaal voor allen ten dienste staan.
Dat is de rol die iedereen moet spelen in het Rijk van God, of je nu op de bovenste of op de onderste sport staat van de maatschappelijke ladder. De grootste onder ons, is de meest dienstbare.