Hoe vraag je dat?

B-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen

Twee leerlingen vragen aan Jezus om in zijn komend Rijk respectievelijk aan zijn rechter- en linkerhand te mogen zitten. Op zichzelf is dat een edel verlangen. Ze houden van Jezus en ze hopen altijd bij Hem te mogen blijven. Jezus snijdt hun echter prompt de pas af: ‘Je weet niet wat je vraagt.’ Denken zij aan een aards koninkrijk, terwijl Jezus met het Rijk Gods iets heel anders bedoelt? Misschien. Overigens schrikken zij niet terug voor de harde eisen die Jezus stelt: zijn beker drinken en zijn doop ondergaan. Al valt aan te nemen dat ze er ook geen precies idee van hebben wat dat dan zal zijn. Ook maakt Jezus nog een radicaal voorbehoud: Hij laat het aan de Vader over om de plaatsen in het Rijk toe te wijzen.

Het is niet zo verwonderlijk dat de leerlingen er niet veel van begrijpen. Het klinkt inderdaad allemaal nogal mysterieus. Wat is dat komende Rijk? Wat moeten we denken van die toewijzing van plaatsen? En pas na Pasen wordt duidelijk wat Jezus met die beker en die doop bedoelde.

Dat zijn allemaal bedenkingen naar aanleiding van datgene wat Jakobus en Johannes vragen. Maar veel belangrijker dan de inhoud lijkt mij de vorm van hun vraag te zijn, de manier waarop zij Jezus aanspreken: ‘Meester, we willen U vragen iets voor ons te doen.’ Ik zet dat even om in het enkelvoud en leg daarbij wat klemtonen: ‘Meester, ik wil dat U voor mij doet wat ik U vraag.’ Onmiddellijk wordt duidelijk wat hier verkeerd is. In plaats van naar de Heer toe te gaan als dienaren, stellen de leerlingen zich op als eisende heren. Ze willen Jezus naar hun hand zetten.

Wij kunnen wat meewarig aankijken tegen die bazige vraag van Jakobus en Johannes, maar in feite stellen wij ons vaak zo op tegenover God. Bijvoorbeeld in het smeekgebed. Vooral als we in nood zijn, verlangen wij dat God helemaal klaarstaat om te doen wat wij Hem vragen. Zo worden de rollen tussen God en mens totaal omgekeerd. God is Heer, niet de mens. God mag zeggen: ‘Ik wil dat jij doet wat Ik vraag.’ Vaak doen we, zo als de twee leerlingen, net het omgekeerde. In plaats van God Heer te laten zijn, stellen wij ons op als eisende partij tegenover Hem. Wij nemen die vraag in de mond die alleen Hij mag stellen.

Jezus’ uitval naar ‘de erkende leiders van de volken’ (de machthebbers) houdt daar rechtstreeks verband mee. Hij wijst erop hoe het in de wereld toegaat. Wij denken dan meteen aan politieke macht. Jezus zegt hier echter niet dat we onze handen niet mogen vuilmaken aan wereldse macht. Hij wijst erop dat de wortel van het kwaad veel dieper reikt. Reeds in de vraag van Jakobus en Johannes ligt die open en bloot: mensen willen God naar hun hand zetten, let wel: vaak met de beste bedoelingen. Maar ook die beste bedoelingen zouden wel eens aan bekering toe kunnen zijn. De juiste vraag is: ‘Wat wilt Gij (Heer) dat ik (mens) voor U doe?'

Zoeken in Preken Online