Voor vele mensen is dit het meest potsierlijke stuk van het hele evangelie: leerlingen van Jezus die vragen om vicepresident te mogen worden. Dat is buitengewoon dwaas, maar mensen zijn tot deze dwaasheid in staat. Hier wordt deze dwaze vraag zelfs eis: ‘Wij willen dat u voor ons doet wat wij u vragen.’ Spontaan denk je daarbij aan mensen die meestal braaf zijn en gedwee, maar als het gekende puntje bij het gekende paaltje komt, worden ze plotseling veeleisend. Zoals zij het in al hun braafheid willen, zo moet het geschieden. Desnoods moet de koning voor hen de knieval doen. Braafheid is niet altijd onschuldig.
In het evangelie van deze dag willen Jakobus en Johannes niet langer nederig op hun stoeltje zitten. Ze willen eindelijk een zetel. Niet langer meer voetvolk zijn, maar in hoogheid verheven. In elk politiek spel is dat zeer, zeer belangrijk. Jakobus en Johannes willen dat ook: geen zitje meer op de achtste rij, maar vooraan. Op de eerste rij. Ze willen zetelen op de voorbehouden plaatsen. De anderen mogen dan jaloers worden… dat verhoogt enkel maar het genoegen van de glorie. Ze zoeken de geprivilegieerde stek. Als hun namen worden afgeroepen, staan ze ‘nederig’ recht en begroeten ‘bescheiden’ de menigte. We weten intussen hoe oprecht dit soort nederigheid en dit soort bescheidenheid zijn. Jezus weet dat ook. Ik proef zelfs iets van ironie in zijn reactie. Het is alsof Hij zeggen wil: ‘Heren, allemaal goed en wel, maar pas aan het eind worden de prijzen uitgedeeld. Ben je bereid om tot de eindstreep mee te gaan? Maar vooral, ben je bereid te beginnen aan die taaie weg?'
Dat is typisch Marcus. Jezus’ leerlingen willen almaar Pasen vieren en alleluja zingen. Ze vergeten één ding: Pasen vieren houdt een mens niet vol. Dat is goed voor maar even. Intussen zullen we met velen Pasen moeten voorbereiden en máken. Het Paasfeest is altijd in de maak. Het is altijd het lied van morgen. Alleluja moet je lang inoefenen met geduldige stem. Dat is dus de fout van Jakobus en Johannes. Ze zingen het lied te vroeg. Ze vieren Pasen, maar ze slaan Goede Vrijdag over. Dat is een grove denkfout. Dat is miskenning van de logica van het Rijk Gods. God is geen zonnekoning en Jezus is geen vip. Hij is een dienaar. Heel gewoon. In de gestalte van een mens.
In de buurt van een dienstknecht als Jezus draag je dan ook liefst geen hoge hoed. Dat is een even domme contradictie als carnaval vieren op Aswoensdag. Op die dag drinkt een leerling liever water dan champagne. Nu, bij Jakobus en Johannes ging het een beetje om hetzelfde. Ze wilden meteen aan de aankomst de bloemen ontvangen. Jezus vraagt hun of ze ook de moeizame wedstrijd willen rijden. Zij wilden overwinnaars zijn zonder ooit verliezer te zijn geweest.
Volgens Marcus is dat een slechte methode als je met God omgaat. Als je dat echt wil, moet je leren dat het wachten voorafgaat aan het weten, en het zwijgen aan het spreken. Zoniet wordt geloven iets als het vervelende vertoon van iemand die graag zichzelf hoort praten. Dat mag een mens voor God niet doen. Dan hoort hij namelijk God niet spreken. Dat is de lering van Jezus: grijp niet te vlug naar de beker.
Ooit zal God ons bekertje vullen.