De bevrijding die ons in het evangelie wordt aangezegd, bestaat o.a. hierin: wij zijn begrensde mensen. Zo op het eerste gezicht strijkt ons dat misschien tegen de haren in. Want wij willen ons waar- maken en heel onze wereld in onze greep krijgen. Maar Jezus zegt: wij moeten uiteindelijk alleen bezorgd zijn over wat wij vandaag, hier en nu, kunnen doen aan gerechtigheid. Recht doen aan elkaar: daar hebben wij onze handen vol aan en dat zal ons helemaal mens maken. Wat nu te zeggen naar aanleiding van dit evangelie, en met name , naar aanleiding van FRANCISCUS VAN ASSISI? Wellicht dit verhaal:\
WEDSTRIJD
In Assisi, de geboortestad van FRANCISCUS, organiseerde de ‘VERENIGING TOT BESCHERMING VAN DIEREN’ voor de leerlingen van de hoogste klas van de basisschool een spreekwedstrijd. Degene die het beste antwoord zou geven op een vraag over “FRANCISCUS EN DE DIEREN’, zou als prijs een horloge krijgen. Julia wilde die prijs graag winnen. Want ze was het oudste kind in een groot gezin. Haar vader verdiende niet genoeg om zijn kinderen een horloge geven. Ze luisterde goed naar wat de leraar vertelde over FRANCISCUS. Maar toen ze allemaal een spreekbeurt hadden gehad om te oefenen, dacht ze: Ik win die wedstrijd nooit. Alle leerlingen waren het erover eens: Tino en Maria hebben de beste kans. Want die konden goed praten en hadden veel te vertellen. Lulia werd al verlegen als iedereen naar haar keek. En bij de spreekwedstrijd zouden ook de ouders en het bestuur van de vereniging aanwezig zijn. Bij die wedstrijd was Tino het eerst aan de beurt. Zelfverzekerd komt hij de zaal binnen. De leraar pakt een papier en leest dan dit: ‘Stel je eens voor dat er een ezel aankomt. Die ezel moet een grote kar de weg op trekken naar de stadsport van Assisi. De ezel is ondervoed en broodmager, en het tuig heeft in zijn ene zijde een groot gat gemaakt. Hij is doodmoe. Maar de men die er naast loopt, slaat het dier met zijn zweep zo gauw als het even stil wil staan. Dan komt FRANCISCUS de poort uit. Hij ziet de man en de ezel en de kar. Wat zegt FRANCISCUS. Tino heeft gespannen geluisterd, maar lacht dan opgelucht. Hij begint dan ook vlug, en zegt: ’ zegt: ‘Arme ezel! Moet jij die zware kar trekken? Je krijgt niet eens genoeg te eten, en toch word je door je baas afgebeuld en geslagen. Als je mijn ezel was, zou ik je goed te eten geven, die lelijke wond schoonmaken en je huid borstelen. SINT FRANCISCUS zou hem broeder ezel noemen, want hij noemde alle dieren broeder en zuster”.— De mensen knikten goedkeurend en klapten voor Tino.
Daarna worden de andere leerlingen om beurt geroepen. Niemand praat zo vlot als Tino, behalve Maria. Zij geeft dit antwoord: ‘Ik denk, dat FRANCISCUS naar de man toe gaat en zegt: ‘Hoe durf je die arme ezel zo te mishandelen? Je hebt niet het recht om hem te slaan, ook al ben je eigenaar! Hij krijgt niet eens genoeg te eten, hij is zo mager! Die kar is veel te zwaar voor hem. Waarom help j hem niet om de kar de heuvel op te trekken? Kijk eens, wat heeft dat tuig zijn huid kapot gemaakt. Je laat dat arme dier lijden".— Het lijkt wel alsof Maria echt kwaad is. Ze is opgewonden. De mensen lachen. En ook Maria krijgt een flink applaus.
Als laatste is Julia aan de beurt. Ze struikelt bijna van de zenuwen wanneer ze binnenkomt. Maar wanneer de leraar haar de vraag heeft gesteld, is het alsof ze de mensen in de zaal vergeet. Ze kijkt zwijgend voor zich uit, en ze ‘ziet’ het: de zware kar op de stijgende weg, en vóór de kar de kleine magere ezel op zijn trillende dunne poten. Hij durft niet stil te staan, uit angst voor de zweep. De open wond wordt steeds groter. Naast het arme dier de baas, een dikke man, scheldend en vloekend, terwijl hij met zijn zweep op de rug van de ezl slaat. En dáár in de poortopening staat FRANCISCUS in zijn bruine kleed en op blote voeten. ‘Wel’, vraagt de leraar, ‘wat zegt FRANCISCUS nu?’ Julia schudt haar hoofd en zegt: ‘Niets, meneer, niets’. ‘Denk eens goed na,‘zegt de leraar, ‘wat zegt FRANCISCUS|’ Julia kijkt hem aan en vergeet dat er voor een goed antwoord een prijs wordt gegeven. ‘Niets, meneer’, zegt ze, ’nee, SINT FRANCISCUS zegt niets. Hij gaat naar de ezel toe, neemt voorzichtig het tuig van zijn rug en laat de ezel van de planten langs de weg eten. Dan spant FRANCISCUS zichzelf voor de kar en trekt die de poort in. De man, die verbaasd toekeek, zegt óók geen woord. Maar opeens gooit hij de zweep weg, en hij begint de kar van achteren met beide handen voort te duwen’.— Het is even stil. De mensen kijken verbaasd. Een paar gaan klappen. Maar anderen vinden dat Julia op de vraag geen antwoord heeft gegeven. Het bestuur om te beslissen wie de prijs heeft verdiend: Tino, of Maria, of toch Julia? — Wie zouden wij de prijs geven?
(Naar ‘Wat zei FRANCISCUS?‘van I.M. Stick, in: Verhalen om nooit te vergeten: Bij de feesten en gedenkdagen van het gehele jaar. Samenstelling: B. Offringa; Tekeningen: R. Meinema, Delft (Meinema)1987, p. 70-72) .