De gaven van Gods Geest kennen geen grenzen

B-cyclus · Tijd door het jaar · 26e zondag · groen

Met het evangelie van vandaag kunnen we verschillende kanten uit. Marcus heeft hier verschillende woorden van Jezus samengevat onder het thema: navolging. Toch legt de eerste lezing van de zondag de nadruk op het profetische in de Kerk. Er zijn altijd profeten geweest, tegen wil en dank, zegt men. En dat is waar! Een échte profeet ben je altijd tegen wil en dank. In zekere zin willen zij de taak van boodschapper niet aanvaarden, maar de Geest van God grijpt hen zodanig aan, dat zij toch opkomen voor de zaak van God. Eigenlijk houden de mensen niet van profeten. Het zijn lastige mensen, die de vinger op de gevoelige plek durven leggen. Zij roepen ons weg uit onze kleine wereld van zelfgenoegzaamheid en zelfgerechtigheid om open te staan voor de wil van God. Zij moeten ons losmaken van de ingeburgerde gewoonten om in naam van God iets nieuws te beginnen.

Een echte profeet roept altijd weerstanden op. Zo was het al in het Oude Testament. Toen Amos, de vijgenboer, door God als profeet werd geroepen, zeiden de priesters tegen hem: ‘Ga hier weg, ga maar ergens anders heen!’ Tot een andere profeet zei de koning: ‘Jij bent het die onder het volk onrust stookt’. Jezus zelf kende maar al te goed het lot van de profeten: ‘Jeruzalem, Jeruzalem dat de profeten doodt en hen stenigt die als Gods gezanten naar u gezonden zijn’.

De profeten worden gezonden door God en wij kunnen Gods Geest geen grenzen voorschrijven. Dat vernemen we in beide lezingen. Tijdens de woestijntocht moest Mozes recht spreken over het volk. Maar de taak werd hem zo zwaar, dat hij van ‘s morgens tot ‘s avonds daarmee bezig was en hij zijn voornaamste taak moest ver-waarlozen. Het werk groeide hem letterlijk boven het hoofd. Toen koos hij zeventig mannen uit, bracht hen voor de verbondstent en Jahwe legde een deel van de geest die op Mozes rustte op die zeventig oudsten. Gods Geest werd over hen vaardig en ze begonnen te profeteren. Nu waren er nog twee mannen, die wel op de lijst stonden, maar niet naar de tent waren gekomen en over hen werd Gods Geest ook vaardig. Jozua, een raadsman van Mozes, zei: ‘Mijn Heer, dat mag niet, dat moet u verbieden.’ Maar Mozes is ruimdenkend, en groothartig en met weemoed zegt hij: ‘Ik zou willen dat heel het volk van Jahwe profeteerde en dat Jahwe zijn Geest op allen zou leggen’. Voor Mozes, de man van Gods Geest, bestaat er geen groepsegoïsme, geen concurrentienijd. Wat Mozes wenst en Joel profeteert, wordt waarheid op het Pinksterfeest. Daar wordt Gods Geest uitgestort over allen: grijsaards en kinderen, mannen en vrouwen, meesters en knechten. Gods Geest kan nog vaardig worden over trouwe christenen en ook over randchristenen.

Het evangelie geeft ook een staaltje van de ruimdenkendheid van de Heer. Een man drijft duivels uit in Jezus’ naam. Johannes wil hem dat beletten, omdat hij niet tot de groep van Jezus’ volgelingen behoort. Maar Jezus is groothartig en zegt: ‘Laat hem begaan, wie niet tegen Mij is, is voor Mij.’

De apostelen waren al geneigd het goede te monopoliseren en dat blijft nog altijd de bekoring van de Kerk. Velen zijn er nog van overtuigd dat alleen de priesters de gaven van de Geest, de gaven van zegen en genezing, hebben. Velen menen dat alleen in de Kerk het goede kan gebeuren, omdat andersdenkenden van de werking van Gods Geest uitgesloten zijn. Hoeveel kwaad heeft die enggeestigheid en onverdraagzaamheid reeds gesticht in deze wereld? Voor hoevelen werd de toegang tot de Kerk zo versperd?

Wij mogen onze ogen niet sluiten voor het vele goeds dat ook buiten de Kerk gebeurt. Er zijn nog veel christenen die niet tot de katholieke Kerk behoren. Noem ze protestanten, anglicanen, orthodoxen… Het Tweede Vaticaans Concilie heeft ze allemaal als christenen aangesproken. Wij mogen hen niet beletten het goede te doen. Wie duivels uitdrijft in de naam van de Heer, is zeker niet vijandig gezind tegenover de Heer. Er zijn veel mensen van goede wil, die niet in de naam van de Kerk handelen, maar toch het goede doen. ‘Belet het hen niet’, zegt de Heer, ‘want wie niet tegen ons is, is voor ons’. Ook zij staan onder de heerschappij van Gods Geest. Het Concilie zegt dat wij de dialoog open moeten houden met alle mensen van goede wil. Wij hebben het recht niet te bepalen binnen welke structuren de Geest moet handelen. Wij mogen geen grenzen stellen aan de werking van de Geest.

Dat alles vraagt van ons een echte bekering, een mentaliteitsverandering van eerbied voor het anders-zijn van zovele anderen, van verdraagzaamheid en zelfkritiek. Door die Geest van Jezus zal de Kerk haar gezicht niet verliezen. Integendeel, zo alleen kan zij voor alle volken een lichtbaken worden van de ware Geest van liefde, die het aanschijn van deze wereld kan vernieuwen.

Zoeken in Preken Online