Belet niemand

B-cyclus · Tijd door het jaar · 26e zondag · groen

De kern van het evangelie van vandaag is heel duidelijk: wees verdraagzaam, belet niemand het goede te doen.

Een oud Joods verhaaltje vertelt over een zekere Abraham die op zekere dag een oude, hongerige zwerver in zijn huis opnam. Het was al laat en tijd voor het avondeten. De vreemdeling nam niet deel aan het gebed: hij was een afgodendienaar. Abraham nam een stok en joeg de zwerver zijn huis uit. In de nacht verscheen God hem in een droom en zei: “Ik heb die man al 70 jaar verdragen, kun jij hem dan tenminste niet één nacht verdragen?”

Wij christenen zijn vaak even veeleisend als Abraham uit ons verhaal. Wij sluiten mensen zo graag uit. De randchristenen ‘die er niets meer aan doen’; de niet-praktiserenden ‘die je alleen met Kerstmis nog in de kerk ziet’; de onkerkelijken ‘die zich nergens iets van aantrekken’. Wij hebben de neiging om het bezit van de waarheid en de gave van de Geest exclusief voor onze groep op te eisen en de anderen te verketteren.

Ook in onze parochie kan die geest leven. De pastorale ploeg, de parochieraad, de liturgische werkgroep en ziekenzorg: ze werken allemaal zeer goed, maar sluiten zich zo vlug op in hun eigen wereldje. Van hun werkterrein moet iedereen afblijven. Zij dreigen een gezellig groepje van goeddoeners te worden waar niemand meer bij of binnen kan. Misschien moeten zij zich eens ernstig de vraag stellen: staan wij nog open, zijn nieuwe leden echt welkom, hoe vangen wij ze op, dialogeren wij nog met de andere groepen, verdelen wij de taken, kunnen wij verantwoordelijkheid uit handen geven?

Als Mozes ons zou bezig zien hoe wij het aan boord leggen om te beletten dat anderen ook iets goed doen, zou hij zeggen: belet het hen niet, de Geest van God rust op het hele volk, zet de deur toch open voor iedereen. Waar halen wij het recht om anderen af te wijzen? Er is een heel groot verschil tussen het menselijk wenselijke en het menselijk haalbare. Jezus is tevreden met het laatste: zelfs een glas water in Mijn naam gegeven, zal zijn loon niet missen.

Jezus verruimt de grenzen van de Kerk meer dan ons lief is. Hij breekt alle scheidingsmuren af die wij, mensen, optrekken tussen mensen. Hij wil ons zeggen: “Verheug u over al het goede, waar of wanneer of door wie het ook gebeurt.” Kleineer de verdiensten van andersdenkenden niet. Werk elkaar niet tegen, maar steun elkaar, je mag het goede niet beperken, je moet het verrijken. Elk fanatisme, ook het religieuze, is uit den boze.

Juist in de pluriforme maatschappij moeten wij leren ook het goede te zien van mensen die anders zijn, anders handelen, anders denken. Wij hebben niet het monopolie van Gods Geest. Gods Geest waait waar Hij wil en wij moeten aan die Geest ruimte geven door meer te kijken naar wat ons bindt, dan naar wat ons scheidt. Als het gaat om heilzaam bezig te zijn met mensen gaat het niet om de vraag: wie mag dat of wie mag dat niet. Waar goedheid is daar is God; waar liefde is daar is God; waar mensen elkaar onbaatzuchtig helpen daar is God. Hoe meer mensen willen delen in de Geest van God, hoe beter. Het gaat er niet zozeer om wat je gelooft, maar wat je doet aan heil.

Moeder Teresa geeft ons in dat verband een heel mooi beeld. Zij bracht een portie rijst aan een arm Hindoegezin. De vrouw nam onmiddellijk een pot, deed de helft van de rijst daarin en zei: “Dat breng ik vlug naar mijn buurvrouw. Die mensen zijn wel moslims, maar zij hebben ook honger’. Deze onbaatzuchtigheid van dat arm Hindoevrouwtje moet ons tot nadenken stemmen.

Zoeken in Preken Online