U zult ook wel eens van die verhalen gehoord hebben. Mensen hebben de hulp van een deskundige ingeroepen: een dokter, een makelaar, de politie of een zorgverzekeraar. Ze hebben daar altijd het volste vertrouwen in gehad. Maar dan gebeurt er iets waardoor hun gevoel in goede handen te zijn plotseling een flinke deuk oploopt.
Op een gegeven moment gaat er iets mis. De verzekering waar ze vast op bouwden, maakt een fout. Of de dokter blijkt hun een verkeerd medicijn te hebben voorgeschreven. Wat er ook gebeurd mag zijn, hun geloof in de deskundige wordt heel gevoelig geraakt. Ze hadden nooit kunnen denken dat mensen die daarvoor gestudeerd hebben zoiets zouden kunnen overkomen. Meestal weten mensen daar geen raad mee. Hun reactie is vaak dat ze hulp gaan halen bij weer andere deskundigen. Ze gaan hogerop voor een ‘second opinion’. Of ze schrijven een brief naar een hogere autoriteit, de burgemeester of de koningin. Maar er kan ook nog iets anders gebeuren. En daarover gaat het vandaag in deze woorddienst in de teksten van de Schrift. Het is of er bij sommige mensen een licht op gaat. Ze gaan niet hogerop. Ze zeggen: als de vaklui er soms zo ver naast kunnen zitten, moeten we zelf wakker worden. Als de computer en zijn bedienaars de draad soms kwijt kunnen zijn, moeten we zelf op onze qui-vive blijven. Ze denken: waarom zou ik niet te rade gaan bij wat ik zelf aan den lijve voel. Waarom niet eerst datgene doen wat wijzelf kunnen. Laten we vertrouwen op wat wij met ons gewone, gezonde verstand kunnen begrijpen. En zo worden ze als het ware een beetje doe-het-zelvers.
De tijd dat dokters en specialisten daar boos over werden, is inmiddels wel voorbij. Maar ze staan natuurlijk niet te juichen. Vandaar dat we heel goed kunnen begrijpen dat Johannes met een verhaal hij Jezus aankomt over genezingen die door sommigen in zijn naam op eigen houtje worden gedaan. Johannes denkt dat Jezus zichzelf als de persoonlijke bezitter van zijn genezende krachten beschouwt. Zulke doe-het-zelvers in Jezus’ naam zullen dus tot de orde geroepen moeten worden. Hij denkt dat hij bij Jezus daarvoor een welwillend oor zal vinden. Maar Johannes zit ernaast. Tot zijn verbazing gebeurt iets heel anders. Blijkbaar zit de gemeenschap van de Geest toch anders in elkaar dan de vereniging van de een of andere beroepsgroep. Jezus blijkt helemaal geen bezwaren te hebben tegen die zelfredzaamheid in de mensengemeenschap. Hij lijkt te denken: als zij in hun gewone leven kunnen doen wat ik doe, hebben ze mijn zegen. Als zij mensen uit de put van de angst kunnen halen en genezen van hun bezetenheid, is dat prima. Hij doet precies hetzelfde wat Mozes deed in de eerste lezing. Hij vindt het niet nodig dat er iemand voor zijn zaak op moet komen. De Geest is vrij in welke kring zij zich wil openbaren.
Maar dan gebeurt er nog iets anders. Johannes moet daar wel van geschrokken zijn want ook wij vinden het wel wat cru wat Jezus daar zegt. Het lijkt wel of Jezus het probleem omkeert en zegt: zouden we eigenlijk niet eens opkomen voor die doe-het-zelvers? Zijn die gewone mensen die iets goeds doen vanuit hun eigen leven niet vaak het slachtoffer? Worden hun initiatieven of diensten in de gemeenschap niet vaak misbruikt, niet serieus genomen, en beschouwd als amateurisme? Hij is er helemaal niet gerust op dat zijn leerlingen het gewone leerhuis van mensen wel zullen erkennen. Vandaar zijn uiterst scherpe woorden. Pas op jij, met je twee gezonde armen en benen, dat je de simpele beker koud water die je krijgt niet wegduwt alsof dat te min is. Want dan ga je echt in de fout.
Het is niet de bedoeling van deze overweging u aan te sporen zelf doktertje te gaan spelen of het recht in eigen handen te nemen. Maar als het over de geloofsgemeenschap gaat, ligt dat toch anders. Daar is het verschil tussen prof en leek misschien wel schadelijk. Echt geloof, echte trouw, echte vrede in de gemeenschap is iets waar niemand patent op heeft.
Wie zo bezig is, denkt dat hij zelf de drijfkracht van het water is onder het schip van de gemeenschap. Zo’n schip kunnen we beter tot zinken brengen. Het gewone water, gewone goedheid, vrede en waarheid, hebben we allemaal in ons, het bedekt grenzeloos de hele aarde.