De leerlingen hebben gezien hoe iemand, die niet tot hun groep behoorde, in Jezus’ Naam duivels uitdreef. Ze hebben geprobeerd dat te verhinderen. Ze vinden dat wie in Jezus’ Naam optreedt, ook tot zijn groep moet behoren. Wie niet van ons is, mag geen beroep doen op Jezus. Orde op zaken.
Speelt hier jaloersheid mee? Best mogelijk. Het is zelfs heel begrijpelijk als we even het volgende bedenken. Hoe zijn Johannes en de andere leerlingen in Jezus’ groep terechtgekomen? Op bevel van Jezus. Hij riep hen en stelde daarbij zware eisen. Zij moesten alles verlaten om Hem te volgen. Is het dan zo verwonderlijk dat zij Jezus ook voor hun eigen groep opeisen? Wij zijn van Hem, zo redeneren ze, wij hebben er alles voor overgehad om Hem te volgen, maar Hij is nu ook van ons. Anderen, die niet alles hebben moeten verlaten om Hem te volgen, moeten van Hem afblijven en zich niet beroepen op zijn Naam. Het is een begrijpelijke reactie. Jaloersheid kleeft als een schaduw aan de menselijke liefde.
Jezus gaat daar vierkant tegen in. Hij zegt niet dat de groep leerlingen onbelangrijk is en dat de anderen er evengoed bij horen. Hij relativeert zijn roeping en zijn eisen tegenover zijn leerlingen niet. Maar Hij wijst op de gevaren van uitsluiting. Zijn leerlingen beseffen niet dat ze zich laten leiden door jaloezie.
Jezus trekt de hele kwestie open door te wijzen op wat gebeurt in zijn Naam. Daar hangt het allemaal van af. Als anderen, die niet tot de kring van zijn leerlingen behoren, toch een beroep doen op zijn Naam, wat gebeurt er dan? In deze passage van het evangelie is het antwoord duidelijk: duivels worden uitgedreven. Dus mensen worden gered. En daarvoor is Jezus gekomen. Wie dat doet, werkt dus mee met Hem, ook al behoort hij niet tot de kring van de leerlingen. Jezus merkt daar fijntjes bij op: ‘Iemand die in mijn Naam een machtige daad verricht, zal niet gauw kwaad van Me spreken.’ Bij nader toezien is dat ook vandaag zo. Wie zich inzet voor het welzijn van mensen, zal niet vlug ongunstig over Jezus spreken. Misschien wel over de Kerk, maar niet over Jezus. Dat merk je zelfs bij atheïstische filosofen. Ook zij geven vaak blijk van grote bewondering voor Jezus van Nazaret, en wel voor zijn hoogstaande menselijkheid.
Mensen die niet tot de Kerk behoren en toch handelen in zijn lijn, behoren bij Hem. ‘Wie niet tegen ons is, is vóór ons.’ Toch is daarmee het uitdrukkelijke en radicale volgen van de Heer niet overbodig geworden. Klaarder gezegd: ook al gebeurt buiten de Kerk heel veel goeds dat in Jezus’ lijn ligt, dan is daarmee de Kerk nog niet onbelangrijk geworden. Misschien ligt het zelfs net omgekeerd. De Heer roept mensen die zich helemaal aan Hem hechten en zichtbaar gestalte geven aan het evangelie. Zo kunnen ook anderen, die niet tot de Kerk behoren, de inspiratie van Jezus leren kennen en met Hem meewerken.