Als het goede maar gedaan wordt

B-cyclus · Tijd door het jaar · 26e zondag · groen

U kent ze zeker nog, van vroeger, die clubjes die met elkaar spraken en schreven in een geheimschrift dat ze hadden ontwikkeld. Wie zou er niet bij willen horen? Maar niet iedereen werd toegelaten. Je moest bepaalde kwaliteiten hebben, bijvoorbeeld kunnen en durven vechten.
Of de gespreksgroepen. Daar was weer geen plaats voor vechtjassen, die elkaar om het minste of geringste in de haren zaten.
Zo lijken de leerlingen in het evangelie van vandaag ook een gesloten front te vormen in hun oordeel over de verspreiding van het goede. Duivels uitdrijven is onze zaak, zeggen ze. Dat is ons recht. Hou de zaken duidelijk, laat anderen niet hetzelfde doen, want dan weet je niet meer waar je blijft.
“Meester, er is iemand die u niet volgt. Die hoort er niet bij.” “Laat hem begaan”, zegt Jezus.
U kent ongetwijfeld de film over Mahatma Gandhi, de kampioen van de geweldloosheid. Niet de christelijke Engelsen hebben in India vrijheid gebracht, maar Ghandi heeft op zijn manier met kracht getoond wat geweldloosheid vermag: een hindoe! Hadden wij christenen dat niet moeten doen? En heel wat mensen zeggen tegen ons:
“Waarom zou je naar de kerk moeten gaan of godsdienstig moeten zijn? Je kunt toch wel goed handelen.” En dan luidt het antwoord: “Ja natuurlijk, soms zelfs beter.”

Wij christenen hebben niet het exclusieve recht op het goede.
Er zijn maar een paar dingen die volgens de Schrift onvergeeflijk zijn en daar hoort het niet-naar-de-kerk-gaan niet bij. Of je nu christen heet of communist of hindoe of zelfs atheïst, een paar dingen zijn niet te vergeven en dat is, zegt de Schrift: “De kleinen verdrukken, de armen uitbuiten, de werker en de werkster hun loon onthouden.”
Die zich daaraan schuldig maakt, is te licht voor het Rijk van God. Of hij zich nu gelovig noemt of ongelovig. Maar degene, die met deze zaken omspringt naar eer en geweten die is gezegend, of hij zich nu gelovig of ongelovig noemt.
Dat is een moeilijk punt voor de leerlingen. Ze zien heel goed dat er, ook buiten hun kring, goede, zelfs goddelijke dingen gebeuren. Maar ze zouden het zo graag zelf hebben gedaan. Ze zouden het voorrecht van goeddoen zo graag inlijven. Alles wordt immers zoveel duidelijker als je kunt zeggen: “Wij zijn van God en de rest is van de duivel. En dat moet goed te zien zijn.” Aan die zogenaamde duidelijkheid doet Jezus niet mee. Voor Hem geldt: “Als het goede maar gebeurt! Dan heeft het mijn zegen, dan durf Ik er mijn naam onder te zetten. Wie niet tegen Mij is, is voor Mij.”
Wat is dan nog de zin om kerkelijk te zijn? Waarom geven we ons zoveel moeite om week in week uit hier te zitten? Misschien omdat je, vanwege het goede, elkaar nodig hebt. Dat kun je niet alleen, want het is verschrikkelijk moeilijk om elkaar niet te verdrukken en om de armen wél te kennen en ze met huid en haar te verdedigen.
Bovendien is aan de kerk, aan ons samen, een voorbeeldfunctie gegeven. Wij zouden - meer dan anderen - moeten laten zien, dat het ons ernst is met die kleinen, waar ook ter wereld, en met hen die uitgebuit worden. Wij zouden de eersten moeten zijn om de zon in het water te kunnen zien schijnen; ook al ligt dat water in Rusland of bij de onkerkelijken.
Wij zouden de eersten moeten zijn om die mensen die het goede doen te feliciteren. Daarom zijn wij bij elkaar, want ook dat is moeilijk Het is maar gelukkig, dat de Geest van God zich onttrekt aan de bezitsdrang van mensen.
Dat Hij te vinden is, waar het goede gebeurt.
Mensen komen langs allerlei wegen tot de vervulling van hun bestaan, lang Noord of Zuid, Oost of West. Vertrouwen we er maar opdat we elkaar in het Jeruzalem van het einde, die stad van vrede, wel tegen zullen komen, hoe we ook heten.
Als het goede om maar een leven waard is geweest.

Zoeken in Preken Online