In het land der blinden

B-cyclus · Tijd door het jaar · 26e zondag · groen

Marcus heeft natuurlijk nooit geweten dat onze bekende Vlaamse volksmond zoveel mooie spreuken heeft. ‘In het land der blinden is de éénoog koning’, dat is één van die rake spreuken. Indien Marcus dit had gekend, zou hij het vandaag als titel boven zijn verhaal hebben geplaatst. De leerlingen moeten maar niet verwonderd zijn als de éénoog wonderen doet. De leerlingen hebben twee gezonde ogen maar ze zijn blind. Daarom zien ze niets. Daarom doen ze ook geen wonderen. Dat schrijft Marcus niet terloops en niet zomaar. Dat is het hoofdthema van zijn script dat wij evangelie noemen.

Dat de éénoog koning is in het land der blinden, is helemaal geen compliment voor de leerlingen. Zij hebben immers twee goede ogen, maar zij doorzien niet waar het in wezen om gaat. Ze vergapen zich aan wat ze allang weten. Ze staren zich blind op hun eigen geprefabriceerde waarheid. Ze weten alles al heel lang. Ze zijn gefixeerd op hun onwankelbare dogma’s. Zoals zij de waarheid zien, zo is de waarheid. Plots verschijnt dan Jezus in hun leven. Ofwel is Hij de bevestiging van alles wat ze al weten, ofwel is Hij de stoorzender. Welnu, Jezus is een stoorzender. Hij zingt wel het oude lied, maar Hij zingt het vals. Zo zien zij dat. Dat Hij eventjes een ander lied zingt, dat zien ze helemaal niet. Daarvoor zijn ze stekeblind.

Volgens Marcus is dat zo ongeveer het ergste wat leerlingen van Jezus kan overkomen. Daardoor missen ze wat precies het grootste aanbod is van God. In sporttermen gezegd: ze slagen niet in de voorproef, ze zullen dan ook niet deelnemen aan de grote finale. Ze zullen er niet bij zijn als de prijzen worden uitgedeeld. Meer nog, ze zullen zich ergeren als de éénoog koning wordt. De éénoog heeft Jezus maar met één oog gezien. Hij heeft met dat éne oog echter voldoende gezien om te weten wat hij moet doen. Het moge ons even beschamen!

Iedere christen leeft met buren die éénogig zijn: ze hebben van God en Jezus en het evangelie maar een kleine jota gesnapt. Echt waar, ze weten niet veel. Op het examen catechese scoren ze niet hoog. Toch doen ze iets wat ik niet doe. Ze zien mij niet in de kerk en ik zie hen niet in de kerk. Daarmee is de vraag van het evangelie onze vraag: ook mensen buiten onze kring doen goede dingen. Niet christelijke collega’s zijn soms consequenter in het doen van het goede dan wij.

Indien we hierbij het stuk afsluiten, is niemand bevredigd. Dan staan de christenen schaakmat. En dat bedoelt Marcus allerminst. Hij bedoelt zelfs het tegenovergestelde. Als mensen met één oog al bekwaam zijn het goede te doen, hoe zouden wij ons dan laten beschamen? Dat moet zowat zijn conclusie zijn. Christenen hebben zovele redenen om het goede te doen. Waarom doen ze het dan niet? Marcus begrijpt dat niet. Hij stelt daarmee bijna letterlijk de vraag van een eerlijk mens als Albert Camus: heilig zijn zonder God? Hij stelt die vraag in één van zijn boeken dat op alle scholen vandaag gelezen wordt. Moet je in God geloven om de pestlijder te helpen? Natuurlijk niet. Daarmee stelt onze Camus-Marcus ons voor de vraag: wie doet op aarde de wonderen? De ongelovige éénoog of de gelovige die twee ogen heeft?

Een uitdagende vraag.

Zoeken in Preken Online