Christelijke arrogantie

B-cyclus · Tijd door het jaar · 26e zondag · groen

Johannes komt er in het voorval dat Marcus hier vertelt niet goed af. Petrus is niet de enige met wie Jezus moeilijkheden heeft. Johannes had even grote moeite om het goede zaad dat Jezus in hem strooide op te vangen en tot groei te brengen. Ook hij was - zoals Simon, die van Jezus de bijnaam ‘Petrus’ of ‘rots’ kreeg - , als de rotsachtige grond waarover Jezus het had in zijn parabels over het zaad en de zaaier.

Johannes is zonder meer arrogant. Hij heeft bemerkt dat iemand die niet tot hun groep behoort in Jezus’ naam duivels uitdrijft. Hij komt daarom naar Jezus toe en zegt: ‘Meester, we hebben iemand die ons niet volgt in uw naam duivels uit zien drijven, en we hebben geprobeerd hem dat te beletten omdat hij geen volgeling van ons was.'

Als Marcus iets herhaalt is het goed op zo’n herhaling te letten. Hier herhaalt hij twee keer hoe Johannes zegt: ‘iemand die ons niet volgt.’ Hij gebruikt zo niet alleen maar het majesteitelijk meervoud ‘ons’, hij promoveert zich ook van volgeling tot iemand die gevolgd wordt!

Dat is niet het enige. Hij probeert de invloed van Jezus te beperken tot het groepje dat hij samen met de elf anderen rondom hem vormt. Hij begint het helende dienstwerk van Jezus te begrenzen, en naar zich toe te trekken. Hij ziet er een mogelijkheid in om hoger op de sociale ladder te klimmen, zijn status te verbeteren, invloed over anderen te krijgen, macht uit te oefenen, geëerd te worden, en een goed inkomen veilig te stellen. Hij meent iets te hebben dat anderen niet hebben. Om het maar eens heel eenvoudig te zeggen: hij ziet in dit alles wel wat. En hij wenst zijn vermeende monopoliepositie te behouden.

Maar dat is nog niet alles. Johannes laat zich hier wel heel erg diep in zijn kaarten kijken! Behalve arrogant is hij ook jaloers.

Juist vóór dit voorval hadden de apostelen namelijk zelf geprobeerd als exorcisten op te treden. Een man had hun gevraagd hem te helpen met zijn zoon, die volgens hem door een boze geest gekweld werd. Ze hadden het met z’n allen geprobeerd, maar ze waren er niet in geslaagd, en hadden op Jezus moeten wachten, die de jongen hielp (9,14-29).

En nu was er iemand anders, iemand die niet tot ‘ons’ behoort, en die het wel kan! Johannes was nijdig. Denkelijk zag hij zijn eigen toekomstdroom in rook opgaan. Jezus reageert niet direct op Johannes. Zonder persoonlijk te worden, geeft hij drie redenen aan waarom ze die andere man zijn gang moeten laten gaan.

De eerste reden is puur praktisch: iemand die er in slaagt om in de naam van Jezus te genezen en goed te doen, staat natuurlijk aan Jezus’ kant. Vervolgens maakt hij daar dan een algemene regel van: ‘wie niet tegen ons zijn, zijn voor ons'.

Dan komt de derde reden. Dat is Jezus’ voornaamste argument. Dat kun je zelfs horen aan het ‘voorwaar’, het amen, dat er in klinkt, en aan het woord ‘christus’ of ‘messias’ dat Jezus nu gebruikt. En weer draait Jezus Johannes’ redenering helemaal om. Begrijpt Johannes dan niet, dat hij zelf vaakjuist degene zal zijn die geholpen en geheeld moet worden. En wie zal dat doen als hij de enige is die deze macht heeft?

Met andere woorden het genezen en bevrijden van mensheid en wereld is niet iets dat alleen aan hen gegeven is. Het is iets dat over de hele mensheid verdeeld ligt. Het is de vervulling van wat Mozes in de lezing uit het boek Numeri hoopte: ‘Ik zou willen dat heel het volk van de Heer profeteerde, en dat de Heer zijn geest op hen legde.'

Het gaat er niet precies om in wiens naam die heling of bevrijding bewerkt wordt. Het gaat niet om de naam, het gaat om wat er gebeurt.

Jezus wenst de cirkel rondom zich niet te sluiten. Hij weigert zijn volgelingen een alleenverkooprecht inzake het rijk Gods te geven. Als het gaat om wie er tot hem behoren, is hij inclusief. Hij trekt geen duidelijke grenzen, zolang als men maar aan de genezing en bevrijding werkt. Zijn volgelingen dienen samen te werken met al de anderen die in deze wereld ‘verlossend’ bezig zijn.

Iedere christelijke johanneïsche arrogantie is uit den boze. Dat niet alleen omdat het ‘goede’ vaak van buiten de kring rondom Jezus komt, maar ook omdat het verraad van dat ‘goede’ van binnen die kring kan komen. Zoals Jezus uitlegt in de rest van Marcus’ tekst.

Zoeken in Preken Online