Wie niet tegen ons is, is voor ons (2006)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 26e zondag · groen

Zoals u wellicht al in mijn column hebt gelezen, zijn wij als kerken vanavond uitgenodigd in de Turkse moskee aan de Ookmeerweg om daar samen de iftar-maaltijd te gebruiken en om met elkaar te spreken over onze inzet tegen armoede.
Een aantal van u heeft zich hiervoor al opgegeven en vindt het leuk
om zo een andere cultuur beter te leren kennen, andere eetgewoontes, een andere godsdienst. Wellicht dat er straks na de viering ook nog mensen zijn die zich willen opgeven. Dat kan.
Wat ook heel goed kan, is dat anderen niet kunnen of niet willen komen, en zelfs dat er zijn die hier helemaal niets van willen weten
omdat ze moslims niet als goede buren kunnen of willen zien maar hen eerder als bedreigend ervaren.
Dat is niet vreemd, maar eerder iets dat maar al te menselijk is en van alle eeuwen. In de beide Schriftlezingen van vandaag ontmoeten we de weerstand tegen anderen zelfs als die goed doen.

Zo komen mensen bij Mozes en een van de leerlingen bij Jezus omdat iemand van buiten de eigen kring precies dat doet wat hun leider doet, en wat zij als volgelingen zelf zouden willen of moeten doen maar waar zij (nog) lang niet altijd in slagen. Dat ze het nu een ander, iemand van buiten de eigen kring zien doen, roept de reactie op: Dit moet gestopt worden.

De situatie bij Mozes is deze. Hij draagt het gewicht van het hele volk en voelt zich als tussen twee vuren: aan de ene kant het volk dat steeds maar klaagt en godbetert terug wil naar Egypte, omdat ze daar in elk geval zeker waren van eten en drinken, en aan de andere kant God die begrijpelijkerwijs woedend is omdat het volk dat Hij heeft bevrijd liever terug wil de ellende in dan met God vooruit de onbekende toekomst in op weg naar het land van de belofte.
Mozes geeft aan dat hij deze last niet langer kan dragen. Het voelt voor hem alsof hij zwanger is geweest van heel het volk en het ter wereld heeft gebracht.
God geeft gehoor aan de smeekbede van Mozes en stelt zeventig oudsten aan en legt een deel van de geest die aan Mozes was gegeven met het oog op zijn dienst van de leiding nu op de zeventig oudsten.

En dan blijkt plotseling dat er nog twee zijn, Eldad en Medad, die wel waren uitgekozen maar die niet aanwezig waren toen de geest werd opgelegd en toch blijkt overduidelijk dat ze Gods geest hebben ontvangen. Ze profeteren, spreken in Gods naam, geven op die manier leiding aan het volk en verlichten zo de taak van Mozes. Toch is niet iedereen hier blij mee.
Jozua, de helper en latere opvolger van Mozes, ziet hierin concurrentie. Mozes heeft een bredere visie, kan over de eigen grenzen heen kijken en ziet in dat alles niet om hem draait en dat het juist winst is als liefst het hele volk persoonlijk geïnspireerd raakt en volop gaat leven naar Gods bedoelingen.

Het is natuurlijk geen toeval dat we in het evangelie vandaag eenzelfde soort situatie tegenkomen, want daarvoor zijn deze lezingen bij elkaar gezocht.

De evangelielezing van vandaag volgt meteen op die van vorige week toen de leerlingen ruziemaakten over wie van hen de grootste is en Jezus als contrast een kind in hun midden zette, en sprak over het opnemen van een kind, de kleinste en kwetsbaarste mens, en wel in zijn naam.
Meteen daarop vertelt een van de leerlingen, Johannes, dat ze iemand hebben tegengehouden die in zijn naam, in de naam van Jezus bezig was demonen uit te drijven omdat hij geen volgeling van Jezus is, althans niet letterlijk met hem meetrekt, maar evident wél volgeling van Jezus is in die zin dat hij in naam van Jezus doet wat Jezus zelf ook doet, namelijk demonen uitdrijven, bevrijden van al wat een mens dwars kan zitten, lichamelijk, geestelijk. De leerlingen kunnen dit zelf (nog) niet, maar reageren als door een wesp gestoken als een ander dit wel doet, en verwachten hiervoor van Jezus kennelijk ook nog een compliment.

Jezus reageert zoals Mozes deed: het gaat er niet om dat ik de eer krijg, maar dat het gebeurt, dat mensen durven profeteren, demonen uitdrijven, andere machtige daden verrichten of zelfs maar een beker water geven, kortom, je medemens goed doen, helpen genezen, tot zijn of haar recht laten komen.

Het gaat er om dat het gebeurt, niet om wie je bent en al helemaal niet om wat je bent. Hoor je niet bij de club, maar doe je wel mee: prima, van harte welkom! Dat wij ons in deze parochie vanuit de diaconie willen inzetten tegen armoede, en wel over onze eigen grenzen heen, samen met de andere kerken en de moskeeën, is dus prachtig. Anderzijds, hoor je wel bij de club (van Jezus, van God) maar doe je in de praktijk niet mee, dan is het foute boel: dan krijgen we in het evangelie van vandaag een strenge waarschuwing, al helemaal als we niet alleen niet mee doen, maar zelfs tegenwerken, niet voor onze medemens opkomen, maar deze zelfs ’ten val brengen’. Dan plaats je jezelf buiten de gemeenschap van Jezus, van God. Jezus maakt hier de vergelijking met het menselijk lichaam: hak af wat een ander ten val brengt, want uiteindelijk breng je daarmee jezelf ten val.

Kort gezegd, zie je een ander goed doen, in de geest van Jezus, van God, de geest waarin je dat zelf ook zou willen maar in de praktijk niet altijd doet, dan moet je daar blij mee zijn. Dat zijn geen concurrenten, eerder collega’s. Of, om met Jezus te spreken: “Wie niet tegen ons is, is vóór ons.”

Zoeken in Preken Online