- Het twistgesprek van de leerlingen liep over de vraag wie de grootste was. Het was echt een religieuze vraag: Wie is de grootste in het Rijk Gods ? Maar dat Rijk Gods bekeken zij met aardse ogen. In dezelfde verblinding zullen de Zebedeuszonen later nog Jezus de vraag stellen of zij eens aan zijn rechter- en linkerhand zullen mogen tronen (Mc 10, 37). En bij het laatste avondmaal herleeft nog even dat gekibbel over wie de voornaamste was ( Lc. 22, 24).\
- Deze mentaliteit is vandaag niet uit de lucht. Zeker in het dagdagelijkse leven: de zucht naar ambtelijke en politieke promotie, de concurrentie in het snobisme van kleding, make-up, de keuze van de nieuwste wagen, de meest moderne woninginrichting, de meest exotische reizen… Maar ook in het kerkelijke kader: Moet men naar de kardinaalshoed dingen om in de Kerk groter te zijn ? Moet een vrouw tot priester worden gepromoot om groot te zijn ? Hoe ziet God de ambten, de rangorden en de eretitels in de Kerk ? Sinds Vaticanum II kwam al heel wat versobering.
* Jezus gaf twee antwoorden die dit twistgesprek omkaderen:
- “Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen moeten wezen, en dienaar van allen” (v. 35). Tot de Zebedeuszonen klinkt het nog sterker: “slaaf van allen” (Mc. 10, 44). “Dienaar zijn of dienen” houdt verband met dienstmoed of deemoed. Nederigheid is waarachtigheid en behoort tot de levenstijl van de christen. De Heilige Augustinus, die een bekeerde heiden was, beweerde dat het heidendom de nederigheid niet kende. Of zou de actuele afkeer voor de nederigheid soms wijzen op een geruisloze terugkeer naar het heidendom ?
Om dit te illustreren plaatste Jezus een kind in hun midden. Hij omarmde dit kind. Een kind had in het Palestina van de eerste eeuw geen betekenis, geen aanzien. Het behoorde tot de laagste categorie. En Jezus voegde eraan toe: “Wie een kind als dit opneemt, neem Mij op, en wie Mij opneemt, neemt niet Mij op maar Hem die Mij gezonden heeft.” (v. 37) Dat woord was de unieke variant op een Joodse zegswijze: “Wie een wijze opneemt, is als iemand die de Shekina (Gods woning) opneemt.” Hier vervangt Jezus de wijze door het kind en Gods woning door Hemzelf. Het kind neemt de plaats in van de rabbi. Dat was heel sterk. Dat gaf een schok. In die zin heeft Jezus het beeld van het kind blijven gebruiken: “Ik dank U, Vader… dat Gij deze dingen voor wijzen… verborgen hebt gehouden, maar aan kinderen hebt geopenbaard” (Mt. 11, 25-26). En dan met klem en gezag: “Voorwaar Ik zeg u: Wie het Rijk Gods niet aanneemt als een kind, zal er zeker niet binnengaan” (Mc 10, 15). Alleen wie zich klein maakt als een kind, kan binnen bij Hem. Eens zei Jezus : “Voorwaar, Ik zeg u: Onder die uit vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper, en toch is de kleinste in het Rijk der Hemelen groter dan hij.” (Mt 11,11) Verbazingwekkend. Daarom schreef Paulus: “Acht de andere in deemoed hoger dan jezelf.” (Fil.2,3) Dat is onze ware concurrentie. Franciscus van Assisi stichtte de Minder-broeders !
- Het tweede antwoord van Jezus ligt op een zeer diep niveau. De basis van de menselijke nederigheid is het mysterie van Gods nederigheid zelf. Paul Claudel was tijdens de kerstvesper van 1886 in de Notre-Dame van Parijs mateloos getroffen door het eeuwig kind-zijn van God: een onschuld die samenvalt met een onvoorstelbare eenvoud. De gekende conferencier en schrijver François Varillon schreef ooit een boek over Gods nederigheid. “Alleen God is echt nederig” schrijft hij: Hij schept en schenkt en verdwijnt in zijn gave, en daarvan is Jezus voor ons de icoon.
Dat had Jezus zopas in zijn onderricht gezegd: “De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van de mensen…” (v. 31) Met het Messiaanse beeld van de Mensenzoon, ontleend aan het boek Daniël, corrigeert Jezus de toenmalige misvatting omtrent zijn persoon en omtrent de aard van zijn koninkrijk. In het woord “overgeleverd”, dat voortdurend terugkeert in het Nieuwe Testament ligt heel de liefdegave uitgedrukt van God in zijn Zoon: klein, kwetsbaar, blootgesteld, machteloos, weerloos en zonder bescherming. Jezus verduidelijkt later: “De Mensenzoon is gekomen niet om gediend te worden, maar om te dienen en om zijn leven te geven voor velen.” (Mc. 10, 44-45) De eerste christenen hebben het uitgezongen: “Hij die bestond in goddelijke majesteit, heeft zich niet willen vastklampen aan zijn gelijkheid met God. Hij heeft zich ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen om aan de mensen gelijk te worden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd… tot de dood op het kruis. En daarom heeft God Hem zeer verhoogd…” (Fil. 2, 6-11) - Bij God liggen de waardenschalen totaal anders. - Charles de Foucauld, die zijn leven als bekeerling geëindigd heeft in de Saharawoestijn, zei eens tot zijn biechtvader, l’ abbé Huvelin, dat hij in alles de laatste plaats wilde innemen. Daarop zei Huvelin tot hem : “Dat kan je niet meer. Want Jezus heeft zelf al lang deze laatste plaats ingenomen”.
* Wie is de grootste ? Die vraag verbergt in vele gevallen onze menselijke zinsbegoochelingen, onze grote illusies. Maar ze nodigt ons uit om na te denken over datgene wat ware grootheid is.