Als ik zo de brief lees van Jakobus, dan heb ik de indruk iemand te lezen die nerveus is en zelfs korzelig. Niet te veel versieringen, niet te veel geleuter, niet te veel theorie doen! Het is evenwel lang niet zeker dat de auteur van deze brief nerveus is en korzelig. We weten het niet en we zullen het vermoedelijk ook nooit weten. Het was toen ook niet belangrijk het psychologische profiel van een auteur te kennen. Wij kunnen vandaag zo moeilijk iets met waardering lezen als de auteur anoniem is. Tot daar toe.
Voor Jakobus is het doe-woord geloven belangrijker dan het zelfstandig naamwoord geloof. Eigenlijk zegt het gezond verstand dat ook. Toch is er meer aan de hand. Onze tekst zegt: ‘Ik zal u met mijn daden mijn geloof bewijzen.’ Jakobus weigert te geloven in de ernst van het geloof ‘als ge geen daden kunt tonen’. Met mooie theorieën en mooie principes alleen heb je nog niets bewezen. Dat is een typisch joodse redenering. Dat is joodse omgang met waarheid. Waarheid wordt uit het concrete leven geboren en niet in de cenakels van tempel en synagoge. De profeet leert meer dan de Schriftgeleerde. De profeet gaat de leraar vooraf. Dat het geduldige nadenken over het geloof daarmee uitgeschakeld wordt als een overbodige luxe, dat is hier niet aan de orde. Het gaat hier vooral om de voorrang van de gelovige praktijk op de gelovige theorie.
Wie Marcus een beetje kent, weet meteen dat hij hetzelfde zal zeggen. Op de vraag wie Jezus is in de ogen van de leerlingen, antwoordt Petrus: ‘Gij zijt de Christus.’ Dat is juist. Dat is een correcte belijdenis. Toch wordt het hem verboden dat te gaan verkondigen. Deze waarheid omtrent Jezus is heel waar. Alleen, deze waarheid moet nog getoetst worden. De proef op de som wordt geleverd door de aanvaarding van het kruis. Zonder het klaaglied van Goede Vrijdag is het paaslied een loos alleluja. Het is nog sterker: zonder het graf is er ook geen opstanding uit het graf. Of de leerlingen dat eens goed en voorgoed willen noteren!
Aan dat alles merk je dat het in de taal van Marcus en Jakobus om meer gaat dan om een kwestie van gezond verstand. Het christendom heeft zijn wortels niet in het Griekse of Latijnse denken. Het is als zaad dat in Semitische grond werd gezaaid. Voor ons is het een vrucht van vreemde bodem.
Intussen hanteren wij een ander principe: onbekend is onbemind. Zo zeggen wij dat jonge mensen het geloof niet beminnen omdat ze het niet kennen. Ze weten niets meer af van onze woorden en symbolen. Wij gooien ons dus op de catechese en de liturgie. We doen vele pogingen om met catechese en liturgie pedagogisch verantwoord over geloof te spreken. Het resultaat is quasi nul. Daaromtrent was het gesprek met Pierre Van Stappen in Kerk en Leven zo verhelderend. Daarin zegt die oude jezuïet dat jeugd niet gelovig wordt door catechetische lessen alleen. Jonge mensen moeten samen iets leren kennen door samen iets te doen, door samen iets te ervaren. Het catechetische discours sluit aan bij ervaring van leven. Catechese is steriel als ze niet kan gedijen in het levensmilieu van jonge mensen.
De boodschap van deze dag is zo gek nog niet.