Als je aan iemand vraagt wie je bent, en je hebt het niet alleen maar over je naam, of straat, of geboorteplaats, dan vraag je eigenlijk die ander ook wie hij is. Hoe zij of hij zich verhoudt tot jou. Hoe die ander over je denkt, hoe die ander je ondergaat.
Als je die vraag stelt is het een belangrijke vraag, de allerbelangrijkste vraag die je kunt stellen. Het is daarom ook een riskante vraag. Een vraag waar je zuinig op dient te zijn. Het is een ‘erop of een eronder'.
Het is de vraag die Jezus hen - en ons - hier stelt. Zijn eerste vraag reikt die persoonlijke diepte nog niet. Het is een aanloop, een inleiding. ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ Het is gemakkelijk daar een antwoord op te geven, omdat er allerhande antwoorden op zijn, en dus eigenlijk geen enkel. Ze antwoorden hem dan ook op een weinig zeggende manier: ‘Johannes de doper, anderen zeggen Elia, en weer anderen zeggen dat je een van de profeten bent.'
Dan komt de eigenlijke vraag. ‘Maar jullie, wie zeggen jullie dat ik ben?’ Het is Petrus die antwoordt. Het is meestal de meest onbedachtzame, die zijn antwoord het eerste klaar heeft. Zeker bij een vraag zoals deze. Als je weet wat er bij zo’n vraag op het spel staat, bedenk je je wel. Niet omdat je het antwoord niet weet, maar vanwege de gevolgen van dat antwoord.
Petrus antwoordt: ‘Jij bent de Christus.'
Met dat ene woord christos zei hij alles. Dat Griekse woord is de vertaling van het Hebreeuwse woord masjiach, dat ‘gezalfde’ betekent. Sinds de profeet Daniël werd het de titel van de door God gezalfde koning, die Gods volk zou verlossen en Gods rijk onder hen zou vestigen.
Jezus verbiedt hen dan uitdrukkelijk hier met anderen over te spreken, waaruitje op kunt maken dat hij het met Petrus eens is. Er zelf met hen wel over doorpratend, maakt hij ook duidelijk dat hij het tegelijkertijd niet met Petrus eens is.
Over zichzelf sprekend noemt hij zich dan ‘Mensenzoon’. Het is de titel die hij het meest gebruikt om zichzelf te beschrijven. Hij gebruikt die term in de evangeliën 81 keer voor zichzelf. Niemand anders - vriend noch vijand - doet dat ooit. Als hij zich ten volle wil karakteriseren doet hij dat door zich ‘Mensenzoon’, of eigenlijk gewoon mens te noemen, want dat is wat het gebruikte woord in bijvoorbeeld de psalmen betekent.
Dit alles herinnert me aan een hedendaagse Amerikaanse ‘heilige’ : Dorothy Day. Ze was de oprichtster van een beweging die zich The Catholic Worker noemt. Een organisatie, of beter een soort communauteit, die in New York en andere Amerikaanse steden en dorpen gemeenschapshuizen en boerderijen heeft voor daklozen en die vooral ook bekend is door een maandblad dat je nog steeds voor de som van één cent kunt kopen. Het blad propageert wat het zelf ‘christelijk anarchisme’ noemt. Dorothy was een zeer bijzonder mens. Ze deed uitzonderlijke dingen. Maar iedere keer als ze dat iemand van haar hoorde zeggen, was ze verontwaardigd. ‘Je zegt dat alleen maar’, zei ze, ‘omdat je zelf niet wilt doen wat je mij ziet doen. Je kunt het best, maar door mij tot een uitzonderlijk iemand te maken, probeer je aan je eigen verantwoordelijkheid te ontvluchten. Je maakt jezelf wijs datje het niet kunt, omdat je niet bent zoals ik. In feite kun je het best. Je verschilt niet van me.’ Als Jezus die titel ‘messias’ verandert in ‘mensenkind’, doet hij zoiets. Hij verandert het hele verwachtingspatroon.
Petrus heeft gelijk, hij is de Messias. Maar Petrus heeft ongelijk als hij denkt het daarom zelf niet te zijn. Inderdaad, Jezus is Messias, maar iedereen dient dat te zijn. Dat is wat mens-zijn met zich meebrengt. Er is een tweede misverstand. Daarbij gaat het over wat de Messias zal doen, en hoe hij zal zijn. Jezus legt hen uit, dat het meebrengt, dat je jezelf op een dergelijke manier inzet voor de realisatie van het rijk van God in deze wereld - een rijk van rechtvaardigheid en vrede - dat het je het leven kost. Daar is in de wereld, zoals ze nu nog is, niet aan te ontsnappen. Ook dat ziet Petrus niet. Hij denk in heel andere termen. Volgens hem is de Messias een machtsveroveraar op de oud-menselijke manier. Jezus wijst hem niet alleen terecht, hij zegt hem als satan te zijn.
De oude wijze is geen manier van mens-zijn. Het brengt geen verlossing. Het is het oude lied. Het lied dat steeds weer miljoenen onderdrukte. Mens-zijn is anders, het is mens zijn zoals Hij.