Deze week dinsdag is het Prinsjesdag,
een vernieuwde ridderzaal,
een feestelijk uitgedoste koningin,
luister alom hoewel,
het kabinet is maar een wankel kabinet
en het programma dat de troonreden bevat
is altijd weer een zwakke poging
verteld en land te verbeteren.
Wij zijn in de kerk aan het begin van de Prinsjesdagweek
(tevens vredesweek dit jaar).
Wij horen weer over God die de mensen toch nooit wil loslaten.
Om dat te zeggen stuurt hij zijn bodes, zijn profeten:
de grootste van hen is Jesaja.
Hij komt de mensen bekritiseren
(dat is niet aangenaam)
maar hij vertelt ook dat God en mens
-al zijn ze nog o ver uit elkaar gegroeid
altijd met elkaar verbonden zullen blijven.
Onze bruidegom heeft nog nooit scheiding aangevraagd.
Altijd kan er weer een nieuw begin gemaakt worden.
Jesaja had fans, niet veel
maar hij had meer mensen die een hekel aan hem hadden:
zijn kritiek bracht dat natuurlijk teweeg
maar ook zijn aankondiging van een nieuwe wereld:
de oude was toch prachtig.
De laatste hoofdstukken van Jesaja hebben dan ook een heel bijzondere toon
Jesaja spreekt daar over
een trouwe dienaar van de Heer die lijden moet.
En hij beschrijft een man die gemarteld wordt,
de haren worden uit zijn baard gerukt
en hij wordt gehoond en geminacht.
Spreekt Jesaja alleen over zichzelf
en schiet hij zo in het zelfbeklag?
Niet alleen.
Hij heeft het eigenlijk over alle rechtvaardigen
die gekwetst zullen worden,
gemarteld of geminacht om hun opkomen voor de waarheid.
Zo is deze tekst ook toepasbaar op Jezus van Nazareth:
de profeet aller profeten die zei waar het op stond
en deed wat er gedaan moest worden.
In hun verslag over het lijden van Jezus Christus
maken de evangelisten toespelingen
op de oude teksten van Jesaja over de trouwe knecht van de Heer die lijden moet.
Ze maken duidelijk dat Jezus’ lijden de consequentie is
van zijn hele handelen,
Zijn solidariteit met zwakke, gewone, kwetsbare,
ja zelfs zondige mensen.
De liederen over de knecht des Heren doen ons beseffen
dat Zijn lijden Zijn actie voor de gerechtigheid is geweest,
ons tot zegen.
Marcus reageert in zijn lessen over Jezus
tegen een in zijn parochie verkeerd begrepen heerlijkheidstheologie
van de Messias (en van de kerk!).
Het gaat niet om sterke mensen
maar onze aandacht wordt gericht
op de zwakke die Hij zal sterken.
Hij de Messias die zwak was met de zwakken
en weerloos met de weerlozen, de gekruisigde Jezus.
Christen zijn is voor Marcus een levenswijze,
een bestaanskeuze.
Merkwaardig is dan om te beseffen
dat een zwakke man, Petrus,
wordt aangesteld om de kerk te leiden.
Waren er geen heiliger figuren onder de apostelen
die beter in aanmerking hadden kunnen komen?
Als zijn Heer opgebracht is zegt hij:
‘ik ken die man niet’.
En zo’n man wordt uitgekozen om paus, om rots te zijn?
Hij komt niet zo rotsachtig over. Hij aarzelt ja hij dwaalt.
Dat Jezus hem dan toch aanwijst als eerste leider van de kerk
is een mysterieuze zaak.
Wij zouden anders oordelen.
Wij kijken strenger tegen het kwaad in andere mensen aan.
Zou God dat niet zien?
Integendeel, Hij ziet dat veel beter.
In de Bijbel staat dat Hij harten en nieren doorgrondt.
Hij kent onze diepste bedoelingen en toch koos Hij Petrus uit.
En Hij blijft gewone mensen kiezen, raadselachtig.
Ook in de latere geschiedenis van Zijn kerk.
Er zijn mensen die veel heiliger zijn
om bv. priester te worden
dan degenen die het geworden zijn.
Op priesters en bisschoppen is veel aan te merken.
Zelfs een Paus zegt soms iets onhandigs,
ik ben benieuwd wat hij vanmiddag om 12 uur daarover zal uitleggen.
Maar -jammer voor u en voor mij-
God kiest gewone mensen, doodgewone mensen met hun tekorten
en hun fouten. Die neemt Hij op de koop toe.
Dat geldt niet alleen voor de kerkelijke leiders
maar voor ieder mens.
Ieder mens is geroepen en door God uitgekozen
Zijn vrienden en vriendinnen te zijn.
Dat u hier bent betekent dat u een geroepene wilt zijn.
U weet van uzelf dat u fouten maakt
maar u wilt toch horen bij dat grote volk van pelgrims onderweg.
Voor al dat gewone volk geldt dat één heeft gezegd:
ik zal met u zijn.
Wij zijn er toe geroepen,
helemaal onder te gaan in het mensenbestaan
en daarin ook te verrijzen.
Nu is Jezus zelf niet meer zichtbaar
in Zijn menselijke gestalte
maar Zijn adem en Zijn kracht zijn nog hetzelfde.
Hij heeft beloofd: ‘ik zal bij jullie zijn’.
‘Ik zal bij jullie zijn’
dat geldt voor ieder mensenleven.
Mogen wij onze geest openen voor zijn woord, voor zijn kracht.
Dan kunnen wij hopen en verwachten.
Dat hopen is niet hopen de honderdduizend te winnen
maar hopen is hopen dat er één is die ons kent.
Hopen is als een schipbreukeling staan op een rots
en wachten en weten dat er een schip voorbij zal komen
waarmee ik terugkeer uit de duisternis in het licht,
van Gods nabijheid.
Over schipbreuk gesproken: u kent de verhalen over de storm.
Jezus laat het stormen eerst.
Misschien om zijn vrienden te laten voelen
dat zij onzeker zijn en weerloos
maar dat God hen juist dan nabij is:
in goede maar vooral ook in kwade dagen.
Hopen is niet zomaar hopen in het wilde weg.
Hopen is dat wij het aandurven ons over te geven
aan het moment dat Hij ons aanraken wil.
De Heer die veel verdroeg en solidair was met zijn leerlingen
zou Hij ook niet bereid zijn dat te zijn met de gewone mensen
in wie Hij nu Zijn vertrouwen heeft gesteld?
De mensen van onze dagen en de dagen daarna:
voor wie Hij een solidaire broeder wil zijn
in de tekenen van brood en wijn.
Zo zijn wij bijeen als mensen die het vertrouwen hebben
dat Hij ons zijn trouw heeft toegezegd
voor alle dagen van ons leven
en zo vieren wij Eucharistie.
Wij gedenken in deze viering zijn offerdood.
En wij vieren ook zijn opstanding.
Hij is de levende in ons midden die ons niet loslaat.
Samen kunnen wij verder gaan.
Door de dood heen zelfs,
het laatste woord is leven, licht, opstanding,
verrijzenis, onvergankelijke vreugde. AMEN.