Het gedicht begint met het verwoorden van een breuk. De dichter heeft alles waarin hij werd opgevoed van zich afgeschud of in vraag gesteld. “Staat, stand, wijsheid”: uit dat alles heeft hij zich losgerukt zodat hij zich voelde als een ontwortelde boom. Wat is er gebeurd, wat moest hij van zich afschudden om zich weer te voelen leven? Daarover zegt hij nog niets, alleen iets over het gevolg. De breuk gaf hem nieuwe energie, wat hij verwoordt door verder het beeld van de boom te gebruiken, die, wel ontworteld, toch sap onder zijn schors voelt.
Ook in de tweede strofe wordt dit beeld van vrijheid verder gezet en zelfs geradicaliseerd. Hij vluchtte niet alleen uit alles wat hij van vroeger meegekregen had, ook uit wat hier en nu is: “jij en jou en zelfs de woorden die hij altijd had gebruikt”. Dat alles loslaten bracht hem in een ijle situatie van koude en eenzaamheid waarbij hij alleen nog zijn eigen hartslag voelde. Vrij en ongebonden, maar ook benauwend.
Waartoe diende dat alles? Waar moest hij zich van bevrijden? Ik heb de indruk dat hij in de derde strofe een antwoord geeft en je pas nu een vermoeden krijgt waar het allemaal om draaide. Oosterhuis schrijft: pas toen kon ik vanuit mijzelf naar Hem (met een hoofdletter) toe. Onverwacht en onvermoed ontdekte hij vanuit zichzelf God of, misschien nog eerder, werd hij door Hem gevonden. Pas toen dat was gebeurd kwam in hem een zee van dromen los.
Lees ik heel het gedicht vanuit de sleutel van deze derde strofe dan heb ik de indruk dat Oosterhuis hier zijn eigen geloofscrisis beschrijft maar ook zijn roeping als dichter. Hoe hij op een bepaald ogenblik afscheid moest nemen van alles wat hij had geleerd via zijn religieuze opvoeding. Hoe hij ‘God omwille van God moest loslaten’ zoals Eckhart het zo krachtig zegt. Weggevlucht uit alle woorden en beelden waarmee we God altijd benoemen en ook vastpinnen. Is het u niet opgevallen dat hij het woord ‘God’ nergens gebruikt, precies om niet te vervallen in de oude taal. Misschien moest hij daarvoor zijn concrete identiteit opgeven, de religieuze orde verlaten waartoe hij behoorde, vrienden of een geliefde loslaten. Ik weet het niet tot welk niveau hij de beelden bedoelde. Dit loslaten van alles wat hem bepaalde bracht hem ‘een boomgrens voorbij’. Tot hij in de leegte en de vrijheid een nieuwe God ontdekte, God voorbij God, God als diepste kracht in hemzelf.
Toen dat was gebeurd kon hij opnieuw dromen en fantaseren en zich uitleven in een poëtisch oeuvre dat voortgaat tot vandaag. Door alles prijs te geven en te overstijgen wat hij via de traditie, via zijn opvoeding en omgeving had geleerd, pas toen werd hij de religieuze dichter die wij via vele teksten hebben leren kennen.
Het bijzondere daarbij is dat hij deze beschrijving van zichzelf koppelt aan de roeping van Jesaja en de aankondiging van het leegplunderen van stad en land. Alles zal vernietigd worden, verwoest en verteerd door de vlammen, maar uit de stronk van de omgehakte boom zal nieuw leven ontspringen. Aan de slavernij en ballingschap zal een einde komen. Niet in alleen in zijn persoonlijk leven, ook in de donkere tijd waarin we leven, want uiteindelijk zal God ons thuisbrengen.
En misschien is pas zo de cirkel rond: een diep bewogen gelovige moest afscheid nemen van alles wat hij over God had geleerd. Hij moest om bij zijn eigen overtuiging te komen breken en de weg van zijn persoonlijk geloof gaan. Toen ontdekte hij een andere God, voorbij de woorden als diepste kracht in zichzelf, die tegelijk de kracht is om alle slavernij en ballingschap te doorbreken.
Laten we met dat alles nog eens terugkeren naar de tekst en samen het lied zingen.