Dat geloof, die bijbel, godsdienst … - er komt alleen maar ellende van … Het is een bron van geweld. ’t Is altijd moord en doodslag." Ik hóórde ’t U denken, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk; ik hoorde ’t U denken bij de eerste bijbel-lezing op deze dag, uit het boek Exodus, het bijbelboek over de uittocht uit Egypte. We komen het joodse volk tegen terwijl het onderweg is, terwijl het ronddoolt door de woestijn. In de buurt van een nederzetting, Refidim, worden de israëlieten aangevallen door de stam van Amalek. En we hebben gehóórd hóe er gestreden wordt: Jozua en zijn mannen hanteren de wapens. Maar Mozes gaat de heuvel op. Hij heft zijn armen op. En in zijn handen heeft hij de staf van God. En zolang hij zijn armen opgeheven houdt - zólang zijn, beneden aan de heuvel, de mannen van Israël aan de winnende hand. Maar wordt hij moe en laat hij zijn armen zakken - dan krijgt Amalek de overhand. Aäron en Chur moeten eraan te pas komen om zijn armen te ondersteunen. En het einde van het liedje is: het leger van Amalek wordt vernietigd tot de laatste man. En, zo wordt er nog aan toegevoegd: De Heer zal strijd voeren tégen Amalek - in alle komende generaties.
Nou, of díe voorspelling niet is uitgekomen … De wereld was en is nog altijd een kruidvat. De verhoudingen tussen mensen en volken kunnen uiterst précair zijn - en licht ontvlambaar. “Amalek”, onze vijand, heeft véle namen en véle gezichten gekregen. In de ogen van fanatieke moslims heeft paus Benedictus XVI zich nu als zodanig ontpopt. Na de Deense cartoon-kwestie dreigt nu de heilige vader voor hen de nieuwe bonte hond te worden - zoals voor president Bush en zijn trawanten, voor “ons” zogenaamd, Amalek tegenwoordig “Osama bin Laden” en “Hezbollah” heet. Zonder strijd en zonder vijand gaat het blijkbaar niet in het leven; op de één of andere manier lijken die er wel altijd te moeten zijn … Ook in de heilige boeken wemelt het van geweld en strijd en vloeit het bloed van de vijanden overvloedig …
Lieve mensen: wat moeten we ermee? Moeten we die heilige boeken en al die mensen die er belang aan hechten maar gewoon afschaffen, wegstoppen, de mond snoeren en begraven. Zou het dan niet rustiger worden? Zouden we dan niet van veel problemen verlost raken? Uiteraard is dit onmogelijk en bovendien denk ik: dat zou dan ook weer een vorm van geweld zijn - om daar zó mee om te gaan. We zitten gevangen in een vicieuze cirkel … Hóe kúnnen we daar in godsnaam aan ontsnappen? Ik denk: in dit verband is het belangrijk dat we onze heilige boeken op een andere manier gaan lezen en gaan begrijpen. Niet létterlijk, maar “geestelijk”. Verstandige mensen binnen alle godsdiensten hebben dat trouwens altijd gedaan. De “jihad” bijvoorbeeld, de islamitische heilige oorlog … Moslims leren: de belangrijkste heilige oorlog die je als mens te voeren hebt, die voer je in jezelf: het is de strijd tegen je eigen verkeerde impulsen en neigingen. Ook de Baghavad Gita, het belangrijkste heilige boek voor de hindoes, wordt op die manier uitgelegd … En zó denk ik, mogen wij ook de bijbelpassage van vandaag over de strijd tegen Amalek uitleggen. Amalek - die zit op de eerste plaats in jezelf. En de grootste en belangrijkste overwinning in je leven - die valt altijd eerst en vooral dáár, in jezelf, te behalen …
Ik ben nu twaalfeneenhalf jaar priester lieve mensen. Graag wil ik U in het vervolg van deze verkondiging iets vertellen over “mijn strijd”, over de strijd die ík in deze jaren gevoerd heb en waar ik nog altijd middenin zit. Ik wil dat doen, in de hoop uiteraard, dat Ú daar iets aan hebt!; dat U zich een beetje herkent in mijn verhaal … Jezus, in de evangelietekst van vandaag; Jezus zegt: “Wie mijn volgeling wil zijn, (die) moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zó achter mij aankomen. Ik denk: de termen “kruis” en “strijd” zijn bijna uitwisselbaar. Jóuw strijd, dat is jóuw kruis - en omgekeerd. Heel duidelijk leert Jezus ons denk ik: Zonder die strijd, zonder dat kruis gáát het niet. Het kruis, de strijd, is onontkoombaar. Petrus, de grote apostel, de rots waarop de kerk is gebouwd; Petrus, naar wie ik genoemd ben en in wie ik mij altijd zéér heb herkend; Petrus - die wil er niet aan (aan dat kruis, aan die strijd). Petrus wil er met een boog omhéén, die wil ’t omzeilen. Petrus, de hardleerse Petrus … Jezus wast hem ongenadig de oren … “Satan!”, zegt Hij, “Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.” Eigenlijk, veelgeliefden, wordt in die laatste tegenoverelkaarstelling de “crux van het kruis”, de essentie daarvan én van de strijd al duidelijk … Ik, U, jij, wij … vaak willen wij iets anders dan wat God wil … en precies daarom lijden wij en strijden wij ten diepste. Zóuden wij onze eigen wil conformeren aan die van God, zóuden wij willen wat God wil, zóuden wij ons met God’s wil vereenzelvigen: ten diepste (maar niet noodzakelijk ook aan de oppervlakte van ons leven!); maar ten diepste zou er dan een eínde komen aan ons lijden en strijden. Precies daarom staat binnen het christendom het kruis van Christus centraal. De christenen zien daarin een, ja hét teken van overwinning en verlossing bij uitstek. Of liever gezegd: ze mógen of ze kúnnen het daarin zien, - want veel christenen, ikzelf incluis, zien en begrijpen dit vaak óók niet: waarom het kruis het teken van overwinning en verlossing is … Waarom is het dat dan? Ik denk: omdat Jezus er niet voor weg liep … en omdat Hij zelfs in die menselijkerwijs gesproken allerellendigste omstandigheden van het kruis met Zijn hoofd en Zijn hart nóg bij God kon zijn - en zich dáárdoor geborgen en veilig en vollédig beaamd en bemind mocht weten.
Wat willen de mensen en wat wil God?
Ik denk: mensen willen feest en “lekker” en “mooi” en “aantrekkelijk” en “veel” en “vrij”; mensen willen “weg” en “vakantie” en “gemak” en-zo-voort. En God gunt ons dat. Hij schenkt het ons. Vandaag schenkt Hij het mij en U. Maar God wíl, denk, dat we het precies zó ervaren: als geschenk. En Hij wil niet, denk ik, dat we ernaar streven, dat we ervoor vechten en dat we het zogenaamde “geluk” (zoals wij ons dat voorstellen) - dat we ons daar krampachtig aan vastklampen. God wil, denk ik, dat wij ook gelukkig kunnen zijn met “niet zo lekker”, met “niet zo mooi” en “niet zo aantrekkelijk”, met “weinig” en in omstandigheden waarin we te maken hebben met uiterlijke beperkingen en onvrijheid en kleine of zelfs grote ongemakken. “Je kruis dragen” dat is: je daar niet tegen verzetten, daarmee kunnen leven; dat is: ondanks alles, ja, juíst ook in zulke omstandigheden (als ’t tegenzit, bij tegenwind) gelukkig kunnen zijn … “Je kruis opnemen” dat is: los kunnen laten; dat is: je van niets en van niemand afhankelijk maken voor je geluk; dat is: het leven kunnen nemen zoals het komt. Eigenlijk is het dus verbijsterend simpel. Een wijs iemand die ik ken vertelde mij ooit: Als kinderen kwamen we vaak bij oma. De theepot stond op het lichtje altijd klaar. We zaten bij haar aan een tafel met zo’n ouderwets tafelkleed erop. En als we kwamen was het goed. En als we gingen was het goed. Oma oefende nooit enige druk of dwang op ons uit: om te komen of om te gaan. Ze was gelukkig mèt ons en zonder ons. Prachtig. Deze oma is een voorbeeld van: grote vrede hebben, “vrede des harten” (zoals dat klassiek-evangelisch zo mooi heet).
Maar hoe hebben in de nu achter mij liggende twaalfenhalf jaar priesterschap kruis en strijd er dan voor mij in concreto uitgezien? Kijk ik ben natuurlijk een kind van de vrolijke, belofterijke, anti-autoritaire, ongebonden en ongeremde sixties: de jaren zestig. Ik moet zeggen: Ik ben in die zin ook echt een kind van mijn tijd. De kenmerken van de jaren zestig en zeventig zitten díep in mij.
Maar nu wil het geval: Mijn generatie ziet over het algemeen de religie, het katholieke geloof, de kerk en alles waar ze voor staat helemáál niet zitten. Maar ik wel! Door een samenloop van omstandigheden ben ik priester van God’s kerk geworden. Waarom is dat? Waarom zie ik geloof en kerk wèl zitten? En waarom ben ik priester geworden? Mijn aanvoelen, lieve mensen, is zó: Eigenlijk denk ik: mijn generatie is bijzijnd of eigenlijk: halfblind. De kinderen van mijn generatie (half-veertigers inmiddels - maar hetzelfde geldt ook nog voor veel mensen die duidelijk veel jonger zijn dan wij): Bijna al mijn leeftijdgenoten en veel van degenen die na ons komen; wij zijn opgevoed door ouders die zelf nog een hele degelijke opvoeding hebben gehad die doordrenkt was van het christelijk geloof, waar het christelijk geloof (met z’n als positief èn als negatief ervaren aspecten) een heel duidelijk stempel op heeft gedrukt. Ik ervaar de generatie van onze ouders als een generatie die over het algemeen heel degelijk en keurig, met goede waarden en normen opgevoed en stevig is: men kan tegen een stootje. Maar omdat diezelfde generatie van onze ouders begonnen is om afscheid te nemen van christendom en kerk; dat langzaam maar zeker is gaan loslaten denk ik: het effect van het christelijk geloof in onze zielen en binnen onze samenleving ebt langzaam maar zeker wég. En daardoor dreigen wij nu het contact met de bron en met de wortels van onze eigen wijze van mens-zijn te verliezen. Mensen hebben de tak doorgezaagd waarop ze zelf zitten! Maar ze zien het niet! Ik ben er heilig van overtuigd mensen dat dit een heel belangrijke, zo niet dé factor is waardoor onze samenleving hardvochtiger, crimineler, liefdelozer, ruwer, banaler en gejaagder wordt. We hebben dat moeilijke christendom weggedaan en afgeschaft maar we zijn van de regen in de drup, nee nu pas écht in de problemen gekomen. Ik ben bang dat mensen steeds onaardiger en stuurlozer worden. God is liefde. God wil ons geluk. Maar liefde en geluk vragen offers. De weg naar liefde en geluk is een weg waarop je onontkoombaar strijd, lijden en kruis tegenkomt. God nodigt ons uit om, in en met Jezus, dat kruis te omarmen - want, zoals gezegd, langs die weg en geen andere bereiken wij geluk, liefde en onze bestemming. Maar mensen in deze tijd (vaak genoeg ook de priester Pierre Valkering!) - we lopen er van weg, we lopen weg van God en van wat God wil. En dan blijft alleen maar over wat we zelf willen. Maar daar worden we uiteindelijk niet gelukkiger van! Op een gegeven moment ontdek je dan: Ik ben in de aap gelogeerd! Ik ben vervreemd geraakt van het grootste en het diepste geluk …
Deze spanning lieve mensen, tussen enerzijds de idealen en kenmerken van mijn generatie en anderzijds mijn vermoeden en aanvoelen dat we door geloof en kerk los te laten iets essentieels zouden verliezen, namelijk de grootste liefde, de Liefde zelf en ons eigen hoogste geluk; deze spanning zit diep in mij. Mijn eigen vasthouden aan geloof en kerk voelt als een tegen de stroom van mijn eigen generatie íngaan, voelt als een “battle up-hill” zoals de engelsen zeggen: een strijd tegen de heuvel óp. Niettemin vóer ik die strijd om in mijzelf en ook voor anderen het geloof in God levend te houden. Religie, geloof, kerk: vaak fungeren ze als “kop van Jut” binnen onze samenleving. Iedereen reageert er op af. Mensen weten ’t in Nederland vaak zo zeker allemaal: dat er van de kerk en met name van de leiding van de kerk en allerlei kerkelijke richtlijnen en zo; dat daar niets van deugt. Wat dat laatste betreft heb ik zelf óók wel mijn vragen, ook persóónlijke vragen … Dat wat “de kerk” daarbij als antwoorden op de vragen van ons persoonlijk leven en samenleven áánreikt allemaal totaal verkéérd zou zijn, daarvan ben ik in de loop van de jaren duidelijk veel minder zeker geworden dan vele van mijn vaak uíterst zélfverzekerde generatiegenoten. Ik denk: het zou wel eens zo kunnen zijn dat wij op de lange termijn in deze tijd nogal kortzichtig en zelfzuchtig blijken te zijn geweest. Hoe het ook zij lieve mensen: het nadenken, wikken en wegen (en soms ook: tobben) over dit soort kwesties maken van mijn ziel soms een soort slagveld. Ik voel mij soms een nog zeer onverlost mens, hardleers zoals Petrus, onwillig om met zichzelf te breken en zijn kruis op zich te nemen. Of misschien ís dit ook juist wel het kruis dat ik te dragen heb: het geworstel precies met de vragen van onze tijd. Gelukkig hoef ik ’t niet alleen te doen. Vrienden, geloofsgenoten, mensen van mijn parochie en elders en ook andersgelovigen en niet-expliciet-gelovigen zijn mij steeds tot steun geweest … met U deel ik al die vragen en spreek ik erover. Mijn armen die ik hier in dit huis voortdurend ten hemel mag heffen (biddend, vragend, smekend en dankend) worden door U ondersteund zoals het bij Mozes gebeurde. Zo voelt het voor mij wèl.
Twaalfenhalf jaar priester. De positie tussen God en mensen, tussen kerk en wereld heeft vaak gevoeld als een ongemakkelijke spagaat-toestand of alsof ik die beroemde engel was die zich staande moest zien te houden op de knop van een speld. Zoals gezegd: mijn naam deel ik met, ja dánk ik aan Sint-Petrus. Petrus de rots. Daar herken ik mij in. Jaren terug zei iemand mij na de nachtmis: “U bent veranderd. U bent, zoals de engelsen zeggen: “wheathered”; het weer zit er in, getekend door de omstandigheden. Ik vraag me geregeld af of ik niet, door de omstandigheden waarmee ik mij voortdurend moet uiteen zetten, té sterk ben geworden, verhard en inderdaad: rotsachtig.
Díerbaar is mij het korte gedichtje van Maria Vasalis getiteld “Steen”: “Verdriet kit al mijn krachten samen,/zodat ik roerloos word als steen./Mijn hele wezen wordt materie,/een ondoordringbaar star mysterie,/o sla de rots, opdat ik ween.” En vervolgens denk ik ook aan Huub Oosterhuis’ woorden: “Wek mijn zachtheid weer. Doe mij weer geloven met de ogen van een kind …”
“Wie zeggen de mensen dat ik ben?” vraagt Jezus aan zijn leerlingen. Mensen in deze tijd zeggen misschien: “dat interesseert me niet wie jij bent”, of: “je spoort niet”, of: “je bent de oorzaak van veel ellende”. Anderen zeggen: “een religieus leider, een goeroe, de oorsprong van een religie”, of: “een bijzonder mens, een bijzonder geïnspireerd mens”, “een bijzonder goed mens die de wereld veel goeds heeft gebracht”. “En wie ben ik volgens jullie?” Petrus antwoordde: “U bent de messias” (dat betekent: de gezalfde). Zoals zalf die je op de huid smeert erin trekt en daarvan niet meer gescheiden kan worden, zó heeft de Geest van God zélf bezit genomen van de mens Jezus. Ja, die Geest heeft Hem verwekt en Is het beginsel van Zijn wezen mogen wij op grond van andere evangeliepassages en op grond van de leer van de heilige kerk begrijpen. Jezus van Nazareth heeft op beslissende wijze Gód laten zien en laten kennen. Daarmee en daardoor is Jezus de mens geworden naar wie we als door een bril naar God kijken. Geloof je dat? Of geloof je dat niet? Of iets er tussenin? Of weet je niet wat je daarvan moet vinden?
Wat vind ik? Wat geloof ik?
Ach lieve mensen, Jezus is mij letterlijk met de paplepel ingegoten, op een prima, op een lieve manier eigenlijk. Ik kan wel zeggen: Ik ben met Hem vergroeid. Ik zou Hem niet kunnen maar ook niet wíllen loslaten. Ik heb het laten gebéuren. Ik heb ervoor gekozen om mij dagelijks door en met Hem te laten voeden. Hij is voortdurend bij mij. Zijn Geest is voortdurend om mij heen en ín mij. Steeds weer verjaagt die Geest ook de boze geesten, de demonen en muizenissen in mij en is Jezus’ Geest voor mij de bron van een rust, van een vertrouwen, van een vrede en vreugde die elk begrip te boven gaat. Die ervaring gun ik iedereen. En ik geloof vast en zeker dat die ervaring voor mijzelf allesbehalve uitgeput is. Nee, ik heb wat dat betreft nog veel te leren. Er zijn nog veel groeimogelijkheden. Dit verhaal wordt dus vervolgd. Dat de ondoorgrondelijke rijkdom van Jezus Christus uw en mijn deel mag zijn. Amen.