* Dit einde van het achtste hoofdstuk in het Marcusevangelie is het centrum van de zestien. Het bevat het kantelmoment, het grote keerpunt in Jezus’ leven. De vorige hoofdstukken deden alleen maar vragen rijzen over Jezus’ identiteit, een soort precatechese: “Allen vroegen versteld onder elkaar: wat betekent dat toch een nieuwe leer met gezag ?” (Mc 1,27). Na de genezing van de lamme: “Zoiets hebben wij nog nooit gezien !” (2,12). Zijn verwanten meenden zelfs “dat hij buiten zijn verstand was” (3,21). Na de stormstilling vroegen zijn leerlingen zich af: “Wie is Hij toch dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen ?” (4,41). Na de bevrijding van een bezetene “stonden allen verbijsterd” (5,20). En na zijn onderricht in de synagoge van Nazareth: “Waar heeft Hij dat vandaan ?” (6,2). Bij Jezus’ stappen over het water gilden zijn leerlingen het uit dat ze een spook zagen (6,49). En toen Hij een doofstomme gehoor en spraak had teruggegeven steeg opnieuw de verbazing, maar nu met de erkenning: “Hij heeft alles wel gedaan” (7,37). De eerste helft van het evangelie volgens Marcus is omfloerst in een mist van onzekerheid over Jezus. Vrienden en vijanden, het volk en de familie, de Farizeeën en de leerlingen leefden in die twijfel. Dit deel wordt afgesloten met de vraag van Jezus zelf tot tweemaal toe: “Begrijpt gij het dan nog niet ?” (8,17.21).
1. Overal drong zich de vraag op: wie is toch die Jezus van Nazareth ?
- Het doek valt in de eenzaamheid van de streek van Cesarea Filippi bij de klinkende uitspraak van Simon Petrus: “Gij zijt de Christus” ! Dit is: Gij zijt de Gezalfde, de Messias die wij verwachten. Die erkenning dekt wat Marcus geschreven had op de kop van zijn Jezusverhaal: “Begin van de blijde boodschap van Jezus, de Christus”. Het opzet van het Marcusevangelie was het doel van Petrus’ prediking: Jezus te verkondigen als de Christus, Zoon van God. Marcus stond dicht bij Petrus als zijn tolk. Hij moest geen andere overlevering hebben om zijn evangelie te schrijven. Maar Jezus’ reactie was: Ik verbied u dit door te vertellen. Deze belijdenis kon immers totaal verkeerd begrepen worden. Zelfs Petrus kende de verstrekkende inhoud niet van wat hijzelf zo spontaan had beleden. \
- Hieraan koppelde Jezus aanstonds met grote stelligheid de melding dat de Mensenzoon veel zal moeten lijden. En hierop stond geen embargo. Deze onthulling van het ware Messiasschap was een schok, die de tweede helft van dit evangelie ging beheersen. Petrus wist eerst geen weg met dat kruis. Messiasschap en kruis gaan toch niet samen. Hij wist niet hoe hij beide gegevens moest rijmen. De vreugde de Messias gevonden te hebben, die Israël zou verlossen, werd plots doorkruist met de voorspelling van het mysterie van lijden en dood. Het is zoals een zoon die zijn vermiste vader terugvindt, hem omhelst, danst van vreugde, maar meteen verneemt dat zijn vader door een ongeneeslijke ziekte is getekend. Voortaan zal hij gekwetst zijn ten dode opgeschreven vader tot aan het graf vergezellen. De Messias is de Mensenzoon uit de hemel neergedaald om doorheen zijn lijden en sterven ons te verlossen. Nu is de sluier over Jezus’ identiteit gescheurd.
2. Juist in de Gekruisigde zal het Godsvolk Gods Zoon leren kennen.
- Petrus kon dat niet aan. Hij speelde zelfs eerst in de verzetsrol van Satan. Hij liet zich leiden door menselijke overwegingen en niet door de visie van God. Die onthulling zal hij heel langzaam verwerken. Er moest nog een overgang komen, een rijpingsproces lopend van de eerste primaire opstandigheid, over negatie tot erkenning en aanvaarding. In deze langzame aanvaarding heeft Petrus Jezus leren kennen zoals Hij is. Hij zal de Heer eerst nog verloochenen, vluchten, en pas na de verrijzenis zich gewonnen geven. Voor de andere apostelen is Jezus aan Petrus verschenen (1 Kor 15,5). En tot de Heer heeft hij het later uitgesnikt: “Gij weet alles, Gij weet dat ik u bemin…” \
- En de Heer antwoordde: “… Wanneer ge oud zijt, zult ge uw handen uitstrekken, een ander zal u omgorden en u brengen waarheen ge niet wilt… Volg Mij”. Zinspeling op Petrus’ eigen kruisdood (Joh 21,17-19). In de Sint-Pieterskathedraal van Poitiers zien we in een gebrandschilderd raam, een meesterwerk van de 12de eeuw, centraal de Koninklijke Christus op een rood kruis met adellijk purper omlijst, en erboven in mandorla de verheerlijkte Heer. Het doet denken aan het orgelpunt van de hele Marcustekst, de belijdenis van de Romeinse honderdman onder het kruis: “Deze was waarlijk Zoon van God” (Mc 15,39). Gods ultieme zelfopenbaring. En eronder veel kleiner: de marteldood van Petrus op een omgekeerd kruis. De bekeerde Petrus heeft later zijn christenen van Klein-Azië bij herhaling de moed ingeboezemd om naar het voorbeeld van Christus doorheen het lijden de onvergankelijke vreugde te bereiken (1 Petr 1,6-7; 2,18-25; 3,13-18; 4,1-6.12-19; 5,9-11).
* Marcus schreef zijn evangelie in Rome, terwijl christenen en Joden samen werden vervolgd. Zijn evangelie is getekend door verdrukking en vervolging. Wie trouw wilde blijven moest kranig en onverslagen bereid zijn om maatschappelijk afgeschreven te worden en eventueel de dood van een slaaf te ondergaan. Jezus’ woorden werden toen hoogst actueel: “Als iemand achter Mij aan wil, zal hij zichzelf verloochenen en zijn kruis opnemen…” (Mc 8,32). Jezus sprak niet over een elite maar over iedereen: “Als ‘iemand’ Mij wil volgen…”. Dat zijn ook wij. Dat is iedereen van ons.