Een Russische boer vroeg aan zijn vriend: “Zeg, Iwan, hou je van mij?” De andere antwoordde: “Natuurlijk hou ik van je”. De boer vroeg: “Weet je dan ook wat mij pijn doet?” En zijn vriend gaf hem ten antwoord: “Hoe kan ik nou weten, wat jou pijn doet?” Daarop zei de boer: “Als jij niet weet wat mij pijn doet, dan mag je ook niet zeggen dat je van mij houdt”.
Dit verhaaltje leert ons dat er geen liefde bestaat als wij niet kunnen aanvoelen wat er in het hart van de ander omgaat, als wij niet vermoeden wat een ander aan leed, angst of zorgen meedraagt. In het evangelie van volgende zondag treedt Jezus de doofstomme tegemoet zoals de Russische boer het van zijn vriend wenst. Jezus voelt aan wat de ander nodig heeft, wat hem ontbreekt. De blinde vraagt voor hem: niet om medelijden of verzorging. Wat hij nodig heeft is iemand die hem weer laat zien, die het leven voor hem weer opent.
“Jezus zucht”, zo staat er letterlijk, Hij lijdt eronder dat mensen gesloten zijn. “Ga open”, zegt Jezus. Eigenlijk zouden wij allen willen dat Hij ook tot ons zei: “Ga open” opdat we bevrijd zouden open bloeien. Want we worden “afgesloten” door afkomst, opvoeding, karakter. Wij hebben geleerd flink te zijn niet te klagen of niet te zagen, de mooie schijn van sterk en gezond zijn hoog te houden. We tonen ons anders dan we zijn en zo sluiten we ons af voor de anderen. Onze tijd wordt afgedaan als individualistisch. Ieder voor zich. Maar het zijn ongelukkige individualisten die zich moeten verbergen achter een strak gesloten masker van onverschilligheid.
Hoe vaak lopen de mensen elkaar doof en stom voorbij. Er zijn heel veel mensen die de moed niet meer hebben om hun mond te openen omdat ze direct door liefdeloze kritiek monddood worden gemaakt.
Tegen ons en al deze mensen zegt Jezus: “Stel je open”. Hoe kunnen wij open bloeien, als wij ons tegen niemand kunnen uitspreken? Als niemand wil luisteren naar de pijn en leed die wij in ons hart meedragen?
Jezus neemt de doofstomme bij de hand als een teken dat Hij samen met hem de weg door het leven wil gaan. Als Jezus hem laat spreken, wil Hij dat hij weer bekwaam is om met andere mensen in contact te komen, dat hij mondig wordt. “Stel je open”, zegt Jezus, spreek de mensen aan, toon hen je hart, leef met hen mee, opdat zij van hun kant de moed kunnen opbrengen om zich uit hun isolement te bevrijden. Konden wij, zoals Jezus, de anderen doen inzien dat er op dit ogenblik geen belangrijker mens bestaat dan diegene die ik nu ontmoet. Heel veel mensen die je ontmoet, zijn doof en stom maar met hun ogen vragen zij: “Hou je van mij?” Ben jij degene bij wie ik gewoon mag zijn wie ik ben?.. Hopelijk kun je dan als christenmens zeggen: “Ja, ik hou van je, want ik heb begrip voor de nood en het leed in je hart”. Als we zo tegenover elkaar staan zal de belofte van Jesaja, die we in de eerste lezing hoorden, voor ons in vervulling gaan: “Jubelen zal de tong van de stomme. Ja, in de steppen zullen beken ontspringen, rivieren in de woestijn. De dorre vlakte wordt een vijver, het dorstige land één waterbron”. Moge het zo zijn.