We horen in het evangelie van vandaag, hoe Jezus zijn vingers in de oren van een doofstomme steekt, met speeksel zijn tong aanraakt. Voordat wij zoiets zouden doen! Iemand anders de vingers in de oren steken… We hebben geleerd, om van iemand af te blijven, lichamelijke contacten zo goed mogelijk te vermijden. En we noemen dat: iemand in zijn wezen laten. Maar daardoor missen we waarschijnlijk ook veel kansen om een ander te genezen.
Een mens wordt nu eenmaal vaak genezen door nabijheid, doordat we dicht bij hem of bij haar zijn. En evengoed kun je zeggen: iemand wordt er ziek van als zij of hij nabijheid mist, als er niemand is, die iets om hem geeft.
Wat je ook van Jezus van Nazaret kunt zeggen, in ieder geval: Hij was iemand die mensen nabij kwam, iemand die niet vies was van mensen, ze recht in de ogen keek, zelfs een melaatse durfde aanraken.
Het is duidelijk dat Jezus met deze aanrakingen, met dit lichamelijk contact, mensen beter maakte. Hij wilde mensen, die er eigenlijk niet meer bij hoorden, mensen die van de levenstafel waren uitgesloten, er weer bij halen. Hij wilde laten voelen dat ze in hun uiterste eenzaamheid, hun afgeslotenheid, toch iemand naast zich hadden die van hen hield. Hij stak zijn vingers in dovemansoren, Hij deelde mee van zijn spraakwater, Hij had een weldoende genezende hand, die Hij uitstak naar een arme stakker. En zo kreeg die uitgestotene het gevoel er weer bij te horen. Ik mag weer meedoen.
In onze wereld zien we vaak het omgekeerde gebeuren. Mensen worden uitgesloten, mogen niet meedoen, naar hen wordt niet geluisterd, ze horen er niet bij. Mensen worden gepest en getreiterd, omdat ze bijvoorbeeld een andere huidskleur hebben of andere manieren, omdat ze niet zo keurige en nette mensen zijn, als wij…
Jezus slaat zijn ogen ten hemel! Wat zijn we in ‘s hemels naam toch aan het doen! Hij zucht, ja, Hij zucht nog altijd over mensen, en Hij roept het uit: “Ga toch open, Effeta!” Het is een van de weinige woorden, die in het evangelie staan, in de taal van Jezus, zoals Hij die sprak: het aramees. Dat woord moet dus grote indruk gemaakt hebben op de mensen, die het hoorden. Hij moet hard en duidelijk hebben geroepen: “Effeta! Ga open.”
Het klinkt als een oproep, om onze zintuigen te gebruiken, ons kijken, ons horen, ons spreken. De bijbel staat er eigenlijk vol van. Het morgengebed van elke oprechte jood in die dagen begon met: Sjema Israël, hóór Israël. En dat woord is meegekomen uit een van de oudste boeken van het Godsvolk, het boek Deuteronomium (Deuteronomium 6,4). Jesaja, de profeet, van wie wij vandaag ook een stukje lezen, heeft het over: het opengaan van de ogen van blinden, het ontsluiten van de oren van doven.
Zien, kijken, horen, luisteren. Opnemen wat je ten leven leidt… Het is één, grote bij-belse oproep. Ga toch open, blijf niet afgesloten, op jezelf, eenkennig.
Zijn onze zintuigen niet verstopt?, vroeg professor Han Fortman zich al in de zestiger jaren van de twintigste eeuw af. Hebben wij niet téveel gezien, téveel moeten aanhoren en beluisteren, téveel moeten meemaken? Zó dat er niets meer bij kan?
De uitspraak van Jezus is, dat mensen met een zuiver hart God zullen zien. En nog een andere uitspraak uit het evangelie: als uw oog helder is, dan zal heel uw lijf, heel uw leven verlicht zijn.
Ga toch open. Wees niet langer blind. Er is méér aan de hand dan de vaak lelijke dingen, die wij moeten waarnemen. De genezing, die de omgang met de Heer ons geeft, maakt ons open, méér te zien dan wat er vaak te zien is. Die genezing maakt ons open voor de onuitsprekelijke grond van alle dingen, voor God die achter alles en onder alles te bespeuren valt. Ze maakt ons open, om zelfs in de armste mens zijn aanwezigheid te vermoeden.