22e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 22e zondag · groen

Israël had een rijke wetgeving. De buurvolkeren waren ervan onder de indruk. Ze zeiden: ‘Dat machtige volk is wijs en verstandig’. Zelf werden ze door hun koningen ‘met ijzeren vuist’ geregeerd. De heidense wetgevingen waren zelf willekeurig. Ze beschermden de machtigen. De massa vond weinig verdediging. De slaven, de vrouwen, de wezen hadden weinig verhaal. In vergelijking was Israël ver vooruit. De gehuwde of ongehuwde vrouw, de slavin, de prostituee had haar eigen statuut. Men kon niet naar willekeur met ze handelen. Veel onrecht werd ook in Israël aangericht. Maar de grillen of de wreedheden van de koningen, hun immoreel gedrag, hun onsociaal optreden, werd door de profeten gebrandmerkt. En dezen hadden een instrument in handen: de Wet die Jahwe’s verbond met zijn volk bezegelde. Jahwe was met zijn volk. Hij had het lief. Hij had het uit Egypte bevrijd. Elke Israëliet was een Vrij kind, een beschermd lid, een geliefde zoon of dochter van dat volk, onafhankelijk van zijn of haar sociaal statuut. Elke man of vrouw kon zich op de wet beroepen. Het was Jahwe’s wet. Een beroep op de wet was een beroep op God. Terecht kon elkeen vragen: ‘Is er soms een andere grote natie aan wie hun goden zo nabij zijn als Jahwe onze God ons nabij is zo vaak wij Hem aanroepen’? Terecht kon Mozes zeggen: ‘Is er een andere grote natie die zulke volmaakte voorschriften en bepalingen heeft als de wet die ik u heden geef?’

Waarom kon Mozes bevelen: ‘Aan wat ik u voorschrijf moogt ge niets toevoegen en er niets van afdoen’? Waarin bestond de volmaaktheid van Gods wet, van alle ‘voorschriften en bepalingen’ ervan? Waarom kon Jezus leren: ‘Wie een van die voorschriften, zelfs het geringste, opheft en zo de mensen leert, zal de geringste geacht worden in het Rijk der hemelen’? Waarom was Hij zo dodelijk geërgerd door ‘de Farizeeën en enkele schriftgeleerden uit Jeruzalem’?

Mozes’ wet was volmaakt voor zijn volk en voor zijn tijd omdat hij uitdrukking was van Gods liefde voor allen. Wie lid was van het Godsvolk was met God verbonden en door het Verbond was hij met alle volksgenoten verbonden. Iedere ‘jota of haaltje uit de Wet’ was uitdrukking van Gods liefde voor iedereen. De huwelijkscontracten alleen bevorderen de trouw niet. De liefde is het die de mensen bijeenhoudt en die wordt bevorderd door de jota’s en de haaltjes van het dagelijks, ochtendlijk en avondlijk leven. De kleine jota’s en haaltjes zijn het die de grote liefde dienen. Het contract alleen is krachtloos. Zo moest ook het contract tussen God en Israël functioneren. In de gehoorzaamheid aan de jota’s en aan de haaltjes werd het Verbond onderhouden, werd de liefde uitgevonden, was het goed leven met elkaar onder Gods zegen. Vanzelfsprekend werd het Verbond vergeleken met het huwelijk dat liefde heet, dat in grote en kleine dingen groeit. Zo gezien was het Verbond volmaakt. Zo beleefd door Jezus zelf was er niets aan toe te voegen en was er niets van af te doen. Niet alleen Israël, maar alle volkeren konden zo in het Verbond betrokken worden. In zijn liefde, in zijn bloed zou het bezegeld worden: ‘Dit is mijn Bloed van het Verbond, dat vergoten wordt voor velen’. Zijn offer, zijn liefde waren volmaakt.

Nu Jezus’ openbaring zover was dat zijn liefde en zijn offer voor iedereen, voor velen’, zoals de Schrift dat zegt, heel duidelijk werden, nu iedereen deugd had van zijn vrij woord, nu iedereen getuige was van zijn genezingen, die tot diep in het hart van wie geloofde alle oude wonden wegnam, werd het ‘vasthouden aan de overlevering van de voorvaderen’, die de mensen meer bond dan dat de wet hen bevrijdde, een ondraaglijke last, teken van onwil om Jezus’ bedoelingen te volgen, symbool van verzet tegen zijn levenswijze, conservatief wapen om de mensen van Hem weg te houden, hang naar al wat in de traditie de macht bevestigde, volmaakte misdaad tegen de volmaakte oude Wet van de liefde. Tegen die gezindheid móést Jezus Zich verzetten.

Zoeken in Preken Online