Om te beginnen een voorbeeld uit het gewone leven: ik heb er een hekel aan als Willem II niet in haar eigen rood wit blauwe shirtjes speelt. Dat tenue is even oud als de club. Ik weet wel dat dat het voetbal niks beter maakt, dat het uiterlijk vertoon is, maar toch. Soms heb je uiterlijke dingen nodig om mensen innerlijk aan elkaar te binden.
Een voorbeeld uit de joodse geloofsgemeenschap: overal ter wereld houden vrome joden aantal gebruiken in stand waarvan wij geneigd zijn te zeggen dat ze met de buitenkant van het geloof te maken hebben. Zo reinigen ze heel secuur het vaatwerk na het precies voorgeschreven voedsel te hebben gegeten; ze dragen het typische keppeltje op hun hoofd, en wanneer ze bidden, dragen ze de daarbij voorgeschreven mantel en gebedsriemen. En de sabbat is hun heilig. Een jood zei eens: De joden hielden de sabbat in stand, maar - nog belangrijker - de sabbat hield het jodendom in stand. Wijs gezegd, vind ik. Want inderdaad, een groep mensen wordt niet alleen bijeengehouden door hun gezamenlijke opvattingen en ideeën, maar ook, en soms vooral, door uiterlijke gebruiken en tekenen (zoals het eigen en altijd hetzelfde shirtje of dezelfde telkens terugkerende rituelen).
Ook onze kerk kan niet zonder zulke uiterlijke rituelen, gebruiken, gebaren, sacramenten en andere tekenen. Wanneer de liturgische rituelen uit het leven van een mens verdwijnen, zal zijn geloof ontegenzeggelijk verschralen. Mensen, gelovigen, geloofsgemeenschappen hebben uiterlijke tekenen nodig om niet uiteen te vallen. Maar, pas op! Soms hangt een club, een vereniging, een kerk alleen nog aan elkaar van uiterlijk vertoon, en is het alleen maar buitenkant. Het lijkt heel wat, maar er zit niks achter. Het is dan ook een telkens terugkerend refrein in de heilige Schrift: Verlies je niet in kleine en pietluttige regeltjes, in uiterlijke rituelen, in mooi godsdienstig gedoe. Zorg dat je hart erbij is. Vergeet nooit waarom het eigenlijk allemaal gaat: eerbied voor God en aandacht voor mensen. Dezelfde Mozes die we vandaag horen zeggen dat de wet Gods stipt dient te worden nageleefd, zegt even verderop wat de kern van die wet is: ‘Jahwe, uw God, doet recht aan weduwen en wezen; en aan vreemdelingen bewijst Hij zijn liefde door hun voedsel en kleding te schenken. Ook gij moet de vreemdelingen uw liefde bewijzen, want gij zijt zelf vreemdeling geweest in Egypte'.
En profeten als Jesaja hebben er voortdurend op gehamerd de godsdienst niet te laten verworden tot vroom uiterlijk gedoe: ‘Wat heb Ik aan al uw offers, zo spreekt Jahwe. Leer liever het goede doen. Wees rechtvaardig, en help de verdrukten. Doe recht aan de wezen, en kom op voor hen die alleen staan’. Ook Jezus ziet in zijn omgeving dat het onderhouden van de Thora, de wet Gods, ontaarden kan in formalisme en prestatiedwang. En daarom waarschuwt hij: ‘Zorg ervoor dat je hart erbij is, en vergeet niet de kern van alle wetgeving: eerbied voor God en aandacht voor mensen.'
Een geloofsgemeenschap die zegt: ‘Het gaat om het innerlijk, en de rest is flauwekul’, en die dus liturgie, sacramenten en rituelen afdoen als uiterlijk vertoon, en alle regels en voorschriften als ballast, zo’n geloofsgemeenschap met alleen maar aandacht voor het innerlijke van het geloof valt uiteen. Maar ook een geloofsgemeenschap die uiterlijk heel wat lijkt, en waarbinnen gebruiken, tradities, rituelen en regels keurig worden beleefd, maar waar de binnenkant ontbreekt, en het hart niet bij is, ook die houdt geen stand.
Samen geloven, samen kerk zijn, vraagt om binnen- en buitenkant. Maar bij alle regels en rituelen mag het hart niet ontbreken. Anders worden we als de farizeeën, en aan hen heeft Jezus van Godswege een hekel.