Eens waren twee monniken op reis. Toen zij bij de rivier kwamen zagen ze daar een meisje staan, half uitgekleed, om door de rivier te waden, maar ze durfde niet vanwege het onstuimige water. De jongste monnik nam haar in zijn armen, droeg haar naar de overkant en zette haar daar neer. De beide monniken zetten zwijgend hun reis voort. Na lange tijd zei de oudste monnik morrend en boos:
“Hoe heb je dat gedurfd, de kloosterregel zegt toch dat je geen vrouw mag aanraken”. De jongste antwoordde verwonderd: “Ik heb haar aan de oever neergezet, maar jij draagt haar nog altijd mee in je gemoed”. Het antwoord van de jonge monnik is identiek met wat Jezus ons vandaag in het evangelie voorhoudt: “Niets kan de mens bezoedelen wat van buiten af in hem komt, maar wat uit de mens komt, dat bezoedelt de mens”.
Jezus is niet tegen de wet, Hij wil ze niet afschaffen, maar Hij wil wel dat de wet haar oorspronkelijke functie terugkrijgt. Wetten zijn er om de liefde te bewaken, maar zij kunnen de liefde niet opwekken. De bron waaruit het leven en de liefde opwellen ligt dieper, het komt uit het wezen van de mens, uit zijn hart.
De Farizeeën gebruiken de wet om hun eigen voortreffelijkheid uit te spelen en de medemens te kleineren. Dat is misbruik maken van de wet. Hoe dikwijls wordt de wet, die bedoeld is om de zwakke te beschermen, zo misbruikt. Wanneer beginnen de gehuwden te spreken over rechten en plichten? Zolang het goed gaat en de zorg en de genegenheid vanzelfsprekend zijn, wordt van geen wetten gesproken. Beroep op de wet gebeurt waar het evenwicht bedreigd is.
Wanneer stellen opvoeders wetten? Als hun gezag bedreigd wordt. Hoe vaak worden wetten ingeroepen om ongestraft macht te kunnen uitoefenen. Waarom zijn juist arme mensen zo bang om naar de rechter te stappen? Ze weten hoe sluwe “schriftgeleerden” alles tegen hen kunnen laten spelen. De machtigen hebben meestal de macht om de wet naar hun kant te stellen.
Jezus wil ons niet binden door uiterlijke wetten, door macht uit te oefenen. Hij heeft ons vrij gemaakt van elke uiterlijke dwang. Op het punt van geloof “moeten” wij niets, het gaat enkel om de liefde, die de maatstaf is in alles. Ook de Kerk worstelt nog altijd met het probleem van wet en vrijheid, van traditie en geweten. God wil geen eredienst van louter uiterlijke handelingen, een lippendienst, maar de eredienst van ons hart. Wij houden ons nog aan de christelijke tradities, voor wie aansluiting met God en de medemens verloren hebben. Wij laten ons kindje nog dopen, maar wij spreken niet meer over Jezus met het kind. Wij laten ons kind nog vormen, maar laten in de opvoeding geen ruimte meer voor de goede Geest van Jezus. Wij trouwen nog voor de Kerk, maar leven vanuit de gezindheid van de Heer, dat is ver te zoeken. Wij laten onze doden christelijk begraven, maar hoevelen geloven nog aan het eeuwig leven, dat de Heer ons schenken wil? Dit geldt niet alleen voor ons persoonlijk, maar ook voor heel de Kerk, het Gods volk, samen onderweg. Is de Kerk niet te veel wet en te weinig geweten? Wat zou de Kerk boeiend kunnen zijn voor velen, als ze als eerste norm van handelen de persoonlijke vrijheid van geweten in haar banier zou schrijven, als ze bevrijdend zou willen optreden tegen structuren die de mensen verslaven, die Gods woord krachteloos maken ten gunste van menselijke tradities. Waarom hebben wij nog zo weinig begrepen van datgene wat Jezus bezielde: de bevrijding van de mens, is een dienst aan het leven.