Een van de steeds diep ingrijpende gebeurtenissen in het leven van pastores is de bediening van het sacrament van de zieken aan hen, die op sterven liggen. De betrokkenheid van de mensen rondom het ziekbed, de gebaren en de woorden van afscheid, de woordeloze tranen in veel gevallen. En na de zalving het samen te communie gaan.
Als de zieke slaapt, zetten we het doosje met de hosties op zijn hartplek en delen van daaruit het heilig Brood. En iedereen begrijpt, dat zo het verbond van God met de mensen een bijzondere invulling krijgt.
Op zulke momenten vormen mensen samen een krachtige eenheid in de heilige Geest. Het zijn gebaren vol van hartelijkheid.
Dat is ook wel ooit anders. Soms gaan mensen te communie met veel nonchalance, kauwgum kauwend, lachend en giechelend, dat ik wel denk: was maar blijven zitten. Er steekt, zou je zeggen, geen hart in het gebaar, dat zij stellen. Religie kan niet zonder vormen, maar zeker niet zonder hart.
Soms ben ik wel jaloers op verre volken en de intimiteit, waarmee zij hun godsdienst beleven. Foto’s van mensen die zich wassen in de heilige rivier, de Ganges. Of kinderen, die wierook stokjes branden in een Shintotempel. Overal tref je diepdoorleefde gebaren en rituelen én overal komen gebaren voor, die versleten zijn en zonder hart of betekenis.
Daarover heeft Jezus het deze morgen, als Hij de manier van doen van veel joden in zijn omgeving aan de kaak stelt. “Je voltrekt allerlei reinigingsceremonieel, maar het bereikt je hart niet en daardoor verandert ook je leven niet.” Dat is immers de bedoeling van godsdienstige gebaren: dat ze mijn innerlijk raken en dat ik tot bekering kom. Jezus verwerpt de wetten van zijn volk niet, integendeel zegt Hij: “Ik ben gekomen om ze te vervolmaken, om ze een hart te geven.”
Een gebaar zonder betrokkenheid wordt poespas. Een gebaar alleen kan de communicatie met God en met elkaar niet op gang houden. Kijk of je gebaren dienstig zijn aan de liefde. Wij hier in de kerk kennen eindeloos veel gebaren. Als we brood en beker delen, dan willen we zeggen, dat we verbonden willen zijn met God en met elkaar. Dat we daar naar best vermogen verantwoordelijkheid voor willen dragen. Als de priester aan het altaar zijn handen wast, is dat meer dan alleen uiterlijke reiniging. Het gebaar maakt ook duidelijk, dat hij ook maar mens is, die zuivering van hart nodig heeft.
Als mensen hun kinderen voor de doop aanbieden, is er in de viering de handoplegging. We vragen dan meestal om aandacht en eerbied, want het is niet niks, als je jouw geestkracht deelt met iemand, die zijn of haar leven gaat beginnen. En als de vader de naam van zijn kind roept en schrijft, is dat meer dan louter een mededeling. Hij maakt zijn kind zichtbaar, voorgoed. Honderden gebaren, we kunnen niet zonder. En steeds daarbij de vraag: mens, waar is je hart?
De Judaskus is een navrant voorbeeld, van wat er gebeurt als het hart ver is: zowel Jezus als Judas moeten het met de dood bekopen. Jezus wil ons voor die dood, hoe die er ook uitziet, sparen. Dat is duidelijk.
Eenn hart onder de riem
B-cyclus · Tijd door het jaar · 22e zondag · groen