Jezus is al eerder door de banden heen gebroken, waarmee zijn eigen familie en zijn dorpsgenoten hem aan zich en aan zijn afkomst wilden binden. In de Marcustekst van dit weekeinde doorbreekt hij een tweede cirkel, waarmee de Farizeeën hem wilden kortwieken. De rituele gebruiken die zij ‘de traditie van de voorouders’ noemden.
Het gaat hierbij om gewoonten als handen wassen, de zuivering van voedsel dat op de markt is gekocht, en het afwassen van eetgerei. Maar het ging hierbij om meer dan wat hygiëne. In feite waren het geen hygiënische voorzorgen.
Het besprenkelen van voedsel met wat water heeft natuurlijk hygiënisch geen enkele betekenis. Het werd gedaan omdat de producent van dat voedsel het wellicht geoogst had op een dag dat dit niet mocht, of omdat hij er geen tempelbelasting voor betaald had. Het ritueel wassen van je handen werd je geacht te doen, niet als je handen vuil waren, maar omdat je wellicht met heidenen in contact geweest was. Het afwassen van bekers, kruiken en de rest van het vaatwerk, was naast een kwestie van hygiëne, ook een kwestie van wettelijke zuiverheid.
Dat het over die laatste ‘reinheid’ gaat wordt duidelijk uit de discussie die Jezus met zijn tegenstanders voert. Daar hebben ze het namelijk over.
Die ‘zuiverheid’ had te maken met een dieperliggende interesse. De Farizeeën verdedigden hun rituele reinheidcode om de etnische en nationalistische zelfidentiteit van het volk te garanderen. De Farizeeën hielden vast aan hun inclusieve eetgewoonten, om exclusief te kunnen zijn, en anderen buiten te kunnen sluiten. De Farizeeën deden dat niet alleen door hun eigen volk af te zonderen van alle andere volkeren, maar ook binnen hun eigen volk bouwden ze op die manier discriminerende verschillen in.
Jezus verzet zich daartegen. Het was iets dat niet met zijn idee van inclusiviteit te rijmen was. Inclusief betekende voor hem niet een exclusief groepje, maar iedereen en alleman. Hij had dat al verschillende keren duidelijk gemaakt, door bijvoorbeeld een ritueel onreine melaatse rein te verklaren (1,41).
In zijn argumentatie geeft Jezus aan het begrip ‘reinheid’ een heel andere betekenis. Eerst maakt hij duidelijk dat denken dat je vanwege dieetwetten speciaal, apart en rein bent, onjuist is. Immers, zegt hij, niet wat het lichaam ingaat is onrein, maar wat er uitkomt. Dat wisten de Farizeeën natuurlijk ook wel. Over die reinheid en onreinheid ging het dan ook niet. Het ging over iets anders. Het ging over dat anders zijn dan de anderen. Maar het op deze wijze anders zijn had voor Jezus niet alleen maar geen betekenis, hij was het er ook niet mee eens.
Jezus zegt dan ook, datje een heel andere norm moet hanteren wanneer je het over reinheid hebt. Dat dit niet een kwestie is van rituelen of van medische hygiëne, die een bepaalde groep mensen toepast. Het gaat dan over iets heel anders. Iets dat op het morele vlak ligt. ‘Rein zijn’ heeft te maken met het innerlijk van de mens. Het gaat over het ‘hart’. Het hart dat iedereen, en niet alleen maar aan een etnische groep gegeven is.
Hij geeft dan een lijst van ondeugden, boze gedachten, ontucht, diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht. kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, godslastering, trots en lichtzinnigheid. Dat zijn de dingen die iemand onrein maken.
Het is de normale lijst van ondeugden, die je ook elders in de bijbel tegenkomt. Als je echter wat nader ingaat op de woorden die Jezus gebruikt dan valt iets anders op. Er zijn termen bij die hij gebruikt als hij zijn tegenstanders bij andere gelegenheden van hun kwade wil beschuldigt. Zo zegt hij in zijn eerste twistgesprek met de Farizeeën tot tweemaal toe, dat ze ‘boze gedachten’ koesteren (2,8).
Maar dat is niet het voornaamste. Wat Jezus hier doet is door een code heen breken, die gebruikt werd om mensen te verdelen. Hij doet dat door de oude rituele reinheidswetten, toegeschreven aan de voorouders, ongeldig te verklaren, en door aan te geven dat je ‘reinheid’ op een andere manier moet definiëren. Hij verzekert ons dat het daarbij gaat om ethische houdingen, die voor allen gelden, en niet alleen voor het een of andere volk alleen. Het gaat hem om iedereen.