“Hou je toch niet bezig met al die onnozelheden.” Zo kunnen we ongeveer verstaan wat Jezus zegt over het wassen van de vingertoppen en het reinigen van bekers en koperen vaatwerk als religieuze reinigingsrituelen bij uitstek.
Zich toespitsen op het nauwgezet vervullen van uiterlijke formaliteiten om zichzelf te bewijzen dat je correct leeft… Hou je daarmee niet bezig zegt Jezus. Dat zijn waardeloze praktijken: de ziel is er uit.
Dat is een taal die we verstaan. We leven in een fase van de kerkgeschiedenis waarin we juist afgerekend hebben met het religieuze formalisme. In deze tijd wordt vrijmoedig omgesprongen met voorschriften en geboden.
De vraag is wel of we ook het vervolg van dit evangelie ter harte nemen? Goed dat we God niet willen dienen met de lippen, maar dienen we Hem ook met hart? En wat betekent dat?
Eigenlijk kan dat in één woord gezegd worden: de gave van zichzelf.
Dat is een groot woord voor heel kleine dingen. Staat de naald van je innerlijk kompas gericht op jezelf of op de andere? Dat zit reeds in de manier waarop je de andere aankijkt, in je blik, je glimlach, je handdruk, je attentie, je dienstbetoon, je werk, in de manier waarop je een beroepstaak invult.
Zelfgave is bereid zijn tot vertrouwen, eerder dan tot wantrouwen.
Die manier van in het leven staan, is ons niet ingeboren, zit niet in onze genen.
We kunnen maar met open hart en open handen de andere tegemoet gaan als we eerst geproefd hebben van de liefde die God ons persoonlijk toedraagt. Zich bemind weten door God, Hem durven aanspreken en zich door Hem aangesproken weten is een bron van blijdschap.
En daarom is een wekelijkse samenkomst op deze plek geen uiterlijke formaliteit maar een innerlijk gebeuren waar we niet enkel met de lippen, maar met heel ons hart aan deelnemen