Deze tekst is vaak door christenen gebruikt om duidelijk te maken, dat het geestelijke ver boven het lichamelijke verheven is: ja, zelfs dat het lichaam gevaarlijk is, een bron van zonden. Omtrent deze opvatting zijn heel wat anekdoten te melden.
Zo gaat het verhaal, dat zich zo’n veertig jaar geleden in de Kempen moet hebben afgespeeld. Een pastoor, die missieprentjes bijkleurde en teveel bloot naar zijn zin netjes in de kleren stak.
Oudere mensen vertellen van goede zusters, die opmerkingen maakten als ze op school kwamen met mouwen tekort of een halskraag te open.
Vleeskleurige kousen, het was een probleem in die dagen!
De bezwaren van pastoors tegen gemengd toneel, gemengd zwemmen. En dit alles kwam voort vanuit een angstige houding tegenover het lichaam, dat het beste beteugeld kon worden met harde aanpak, duidelijke regels, vasten en versterving.
Het is de vraag of we voor deze manier van doen het evangelie aan onze kant vinden. De levensstijl van Jezus lijkt er geen aanleiding toe te geven. Hij werd er juist van beschuldigd niet te vasten; Hij hield ervan op feesten uitgenodigd te worden en zelf feesten te organiseren. Hij produceerde bij een bruiloft een ongekende hoeveelheid goede wijn, om niet te spreken van de voedselverstrekking midden in de woestijn.
Als Hij dan vandaag zegt, dat het lichaam van geen nut is, lijkt Hij iets anders te bedoelen. Hij zegt niet: vergeet het lichaam, houdt je slechts bezig met de cultuur van de Geest. Integendeel, ik hoor Hem veel meer zeggen: hou geest en lichaam bij elkaar, want zonder de levendmakende geest is het vlees dood, van geen nut, een lijk, goed voor een doodskist. En dat is ons aller ervaring.
Toch heeft men vaak geprobeerd die twee los te maken. Er is een wetenschap ontwikkeld, die louter uitgaat van harde feiten; van onderzoek, dat slechts te maken wil hebben met wat tastbaar en bewijsbaar is. Geloof, moraal, kunst, godsdienst, wat kun je ermee? Dat is de zachte sector. Tweederangs! Tegen die houding wordt gewaarschuwd. Wat voor een samenleving ontstaat er, als kunst, poëzie, godsdienst gaan gelden als tijdverspilling, een bezigheid voor softies?
Als meditatie en gebed een taboe worden en afgedaan als horend tot een primitiever leven. Als onze jeugd alleen nog herrie en consumptie kent en liefde wordt gereduceerd tot seks. Dan lijdt, zo zegt het evangelie, het leven zelf geweld. Het is een gevaarlijke ontwikkeling als het geestelijke van geen nut wordt geacht.
Wetenschappelijk onderzoek wordt nutteloos, als men zich niet tegelijk afvraagt wat de ethische en godsdienstige gevolgen zijn. Reageerbuisbevruchting? Spermabanken? Genmanipulatie? De maakbare mens! Dat is een soort kanker, een woekering die losgeraakt is van de sturing door de Geest.
Kanker is het, als men zegt: “zaken zijn zaken, onderzoek is onderzoek en vooral: oorlog is oorlog.” En als u meent dat dat ver van uw bed is, haal het maar dichterbij. Hoe vaak hoor ik niet in mijn eigen omgeving, zelfs in mijn eigen hart: tijd is geld, wat levert het op, hoe word ik er beter van. Dan sluipt de dood binnen. Dan krijgt vrijwilligerswerk een lage prioriteit, dan wordt bidden en naar de kerk gaan, maar evengoed een boek lezen of een zieke bezoeken, tijdverlies. Zaken, die in het beste geval nu eenmaal moeten, maar liefst zo snel mogelijk achter de rug kunnen zijn. Dan gaat de levendmakende geest ontbreken en sterft ook het lichaam, dat wij samen zijn.
Gewaarschuwd door onze Heer, moeten we er voor waken, dat zoiets niet gebeurt.