In dit laatste fragment uit Johannes’ evangelie voor dit liturgische jaar voor de rest van het jaar komen de evangelieteksten uit Marcus - heeft Jezus het over de geest en het vlees. Hij spreekt over ‘het vlees dat niets te bieden heeft’ en ‘de geest die levend maakt’. Zwaar geladen teksten, die als je niet oppast tot de grootst mogelijke misverstanden leiden.
Misverstanden die in het verleden een ascese opleverden waarin het vlees, en dat wil zeggen het lichaam niet alleen maar veracht, maar vaak ook geknecht werd. Spiritualiteiten waarin het lichaam als een ezel wordt, of een gevangenis waaruit men moet ontsnappen. Het lichaam was de oorzaak van zonde en moest daarom verstorven, gedisciplineerd, verhongerd, zeker niet genoten en zo weinig mogelijk of helemaal niet gebruikt worden.
Gezien het leven van Jezus, zoals we dat uit de evangeliën kennen, is het moeilijk aan te nemen dat dit zijn levensstijl was. Hij werd er juist van beschuldigd niet te vasten, en hij hield er kennelijk van uitgenodigd te worden, en zelf feesten te organiseren. Hij zat niet alleen maar aan bij een huwelijksfeest, maar produceerde een ongekende hoeveelheid eersteklas wijn. Om maar niet te spreken van de picknicks die hij op grote schaal organiseerde, zelfs midden in de woestijn.
Toen Jezus zei dat ‘het vlees van geen nut is’ en dat ‘de geest levend maakt’ moet hij iets anders bedoeld hebben. Hij wilde niet zeggen dat we daarom lichaam en geest moeten scheiden, om dan ons alleen maar toe te leggen op de cultuur van de geest.
Hij wilde juist het tegendeel beweren. We dienen vlees en geest bij elkaar te houden, want zonder de geest die levend maakt is het vlees van geen nut. Je kunt zelfs verder gaan, zonder die levend makende geest is het ‘vlees’ gevaarlijk.
Vlees op zich is dood. Het lichaam dat in een doodskist ligt is van die aard. Zolang als we leven horen geest en vlees samen. Dat doen ze in ons leven dan ook. Het zou ook waar moeten zijn voor alles wat we tijdens ons leven doen. En dat is het zeker niet.
In 1634 kwamen enkele wetenschappers in Frankrijk samen; in 1646 kwam er een soortgelijke groep bij elkaar in Londen; en in 1660 in Florence. In alle drie gevallen begonnen ze een wetenschappelijke academie. Ze wilden wetenschappelijk onderzoek en uitvindingen doen, ze wilden de empirische wetenschappen ontwikkelen, tot bloei brengen en de resultaten van hun onderzoek technisch gebruiken.
In alle drie gevallen bepaalden ze in hun statuten - heel begrijpelijk gezien de klerikale oppressie in die tijd - dat ze zich niet wilden mengen in theologie, metafysica, of moraal. Ze wilden de wetenschappen ontwikkelen, medicijnen, fysica, scheikunde, en zaken die op den duur zouden leiden tot alle uitvindingen, waarvan we op het ogenblik profiteren en waar we vaak ook onder lijden.
Het is juist tegen een dergelijke ontwikkeling dat een tekst als die van Jezus ons waarschuwt. En wij die nu onder de dreiging van zo veel wetenschappelijke uitvindingen en technische mogelijkheden leven weten misschien beter dan ooit, dat hij gelijk had en heeft.
Wat betekent die tekst over dat ‘vlees dat van geen nut is’ zo voor ons? Iets wat we zo vaak gehoord hebben: ‘Wetenschappelijk onderzoek is nutteloos en gevaarlijk als men zich niet tegelijkertijd toelegt op onderzoek naar de morele, ethische en godsdienstige implicaties van dat onderzoek.’ Telkens als het ‘vlees’ niet bezield wordt door de geest dan wordt het als een soort van wildgroei. Als zoiets in ons eigen lichaam gebeurt dan noemen we het resultaat dan ook vaak ‘wild vlees’. Die wildgroei is er op het ogenblik dat we zeggen: ‘zaken zijn zaken’, ‘onderzoek is onderzoek’, ‘administratie is administratie’, en vooral ‘oorlog is oorlog'.
Hebben we dit niet allemaal zelf ondervonden bij de recente oorlogsreportages, waarbij gesproken werd over ‘de klinische efficiëntie’ van bommen en granaten. Liepen je bij die beschrijvingen niet vaak de koude rillingen over de rug? Werden daar niet steeds termen gebruikt, die het mogelijk maakten om puur technisch te kunnen blijven, en de menselijke geest er buiten te kunnen houden?
Het is de geest die leven geeft. Het vlees op zich heeft niets te bieden. Het enige wat dat ‘vlees’ kan bieden is lijken.