-
In de Joodse traditie leefde de verwachting dat de Messias het nieuwe manna uit de hemel zou brengen (Apoc. v. Baruch 29,8). Maar over de ware inhoud en de betekenis van dat komend Manna hadden Jezus’ tijdgenoten zelfs geen flauw idee.
-
In de eerste helft van zijn rede over het Brood had Jezus gezegd dat Hij het levende Brood uit de hemel was, en dat dit Brood zich lichaam zou zijn. Maar wat had dit praktisch te betekenen ? Welk nut levert zoiets op ? In de tweede helft van zijn rede diept Jezus deze onthulling uit:
- Jezus zegt: “Mijn lichaam is het ware voedsel, mijn bloed is de ware drank.” (v. 55) Dat is de juiste vertaling van de Griekse grondtekst. Die klinkt heel wat sterker dan: “Mijn lichaam is waarlijk voedsel en mijn bloed is waarlijk drank”. Dat voedsel is uniek, het echte, het ware. De woorden ‘waar’ en ‘waarheid’ hebben bij Johannes een bijzondere betekenis. Het gaat er steeds om een werkelijkheid die de vanzelfsprekendheid van mensen ver overstijgt. Johannes is uiterst begaan met het begrip waarheid. Bij hem vinden we de uitspraak: “De waarheid zal u vrij maken” (Joh. 8,32). Juist hij spreekt van “de ware aanbidders in geest en waarheid” (4,23), hij heeft het ook over de “Geest van waarheid waarvoor de wereld niet ontvankelijk is” (14,17); maar “De Geest der waarheid zal u tot de volle waarheid brengen” (16,13). Die volle waarheid is iets dat wij niet zomaar grijpen, maar als geschenk ontvangen. Jezus zelf is “de weg, de waarheid en het leven” (14,6). Wie dus wil leven zonder Eucharistie, weigert ten slotte Jezus’ woord en Jezus zelf.
En Jezus verduidelijkt: “Zoals Ik leef door de Vader, zo zal ook hij die Mij eet, leven door Mij”. Dat woord ‘door’ wijst op een doordringing van Gods natuur in de onze. Het gaat er om een geestelijke osmose, een assimilatie, die ons omvormt. Zijn lichaam en bloed worden als zaad dat in ons zijn Leven laat ontkiemen. Wij worden wat we eten en drinken. Indien dit bij ons bewust en gelovig gebeurt, worden we gelijkvormig aan Christus. En dan wordt ons doen en spreken totaal anders.
- Het is zelfs meer nog dan een innerlijke omvorming in ons, individueel. Jezus zegt met nadruk: “Wie mijn vlees eet, en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in Hem.” (v. 56) Dat herhaalt Jezus in zijn tweede afscheidsrede: “Blijf in Mij, dan blijf Ik in u… Ik ben de wijnstok… Wie in Mij blijft, terwijl Ik blijf in hem, die draagt veel vrucht, want los van Mij kunt gij niets.” (15,4-5) En Jezus vult verder aan: “Blijf in mijn liefde…” (15,9) - Het woord blijven, verblijven heeft bij Johannes een bijzondere bijbetekenis. Het gaat er om een intiem samen zijn van personen, zoals geliefden pratend of zwijgend samen kunnen zijn. Het is de bekroning van Jezus’ openbaar leven, dat begon met zijn uitnodiging tot zijn eerste leerlingen: “Wat verlangt gij? Wat zoekt gij?”. En zij hadden daarop gevraagd: “Waar verblijft Gij ?” - “Kom en zie” - En die dag bleven ze bij Hem." (1, 38-39) Hierop komt Johannes herhaaldelijk terug in zijn eerste brief (1 Joh 3,24; 4,12-15). Het slotakkoord van een zoektocht van het verlangen naar de ware vriendschap, naar de waarheid van de liefde.
Het is niets anders dan de verbondstaal van het Oude Testament: “Gij zult mijn volk zijn, en Ik uw God”. God is de Bruidegom van zijn volk. Het volk is zijn bruid. Niet zonder reden sprak Jezus graag over een bruiloftsmaal als symbool van het Rijk Gods dat in kiem in de H. Eucharistie wordt gegeven. Daarin ligt de waarde van de stilte na de H. Communie: dankzegging en aanbidding.
- Ten slotte zegt Jezus: “Wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven."(v. 58). Hiermee herhaalt hij: “Wie mijn vlees eet, en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.” (v. 54). In de Eucharistie ligt het zaad van het eeuwig leven, de verrijzenis. Het begrip eeuwig leven is veel meer dan een voortbestaan na de dood. In nagenoeg alle religies geloofde en gelooft men in een hiernamaals. Daarom bouwden de Egyptenaren piramiden en kenden de oude volkeren een of andere vorm van dodencultus. In hun ogen veelal een somber gebeuren.
Doch wat Jezus belooft, is wat “geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenverstand is opgekomen van al wat God bereid heeft voor wie Hem liefhebben.” (1 Kor. 2,9; Jes. 64,3; 65,17) Paulus schreef aan de christenen van Rome: “Wij zijn erfgenamen van God, te samen met Christus; daar wij nu in dit leven delen in het lijden van Christus, zullen wij ook eens delen in zijn heerlijkheid.” (Rom. 8,22), en ook: “Wij zullen allen de Heer tegemoet treden. Zo zullen wij voor altijd samen zijn bij de Heer.” (1 Tess. 4,17) Johannes zegt het nog sterker: " Wij weten wel dat wij op God zullen gelijken, omdat we Hem zullen zien zoals Hij is.” (1 Joh. 3,3) De liefdevolle eenheid met Christus zal blijven bestaan over de dood heen. In het Boek Openbaring horen we de voltooiing van het Verbond: “God zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn en Hij zal hun God zijn… Zie Ik maak alles nieuw.” (Apoc. 21, 4-5). De Eucharistie zal uiteindelijk open bloeien in de nieuwe wereld van God. Het eeuwig leven is dat wij vernieuwd, omgevormd en in gemeenschap vreugdevol zullen mogen delen in de mateloosheid van Gods Liefde voor altijd.