Spreuken 1 - 9 vormen een blok, waarin op het laatst de Wijsheid zelf aan het woord is ter afsluiting. De leermeester heeft zijn kind gemaand en onderricht, en in de laatste twee hoofdstukken spreekt de Wijsheid zelf als een soort climax. Zij vraagt om een basis-houding, een levensinstelling.
Zij bouwt nl. en wel een huis. Dwaasheid doet dat niet; zij zit voor haar huis en roept maar wat zonder degelijke basis, zonder betrouwbaar punt van uitgang. Wijsheid heeft een basis nl. een huis dat zij zelf bouwt (Willibr.‘95), voortdurend bouwt. Met materiaal dat zij uit de rots houwt, zeven zuilen die het huisdak dragen. Zeven stuks die staan voor het alsmaar doorgaande leven. Degelijk rotsmateriaal.
Zo doet Wijsheid, die van zichzelf zegt dat de Heer haar schiep aan het begin van zijn weg, nog vóór zijn scheppingswerk, dat zij als uitvoerster aan de zijde van de Heer stond, dat zij Zijn vreugde was dag en nacht (Spr 8, 22.30). Zij kent dus al Zijn werken, ook de mens.
Zij bouwt het huis niet (Willibr.‘95) voor zichzelf, want zij slacht haar slachtvee, mengt haar wijn, dekt de tafel en nodigt uit om van háár voedsel te nemen. Zij gaat niet zelf uit maar zendt haar dienaressen die in haar naam iedereen moeten uitnodigen die nog geen wijsheid heeft; iedereen die nog geen inzicht heeft kome om van haar brood te eten en de wijn te drinken die zij heeft gemengd.
Het inzicht dat zij hanteert is dat de Vreze des Heren het begin der wijsheid is (Spr 9,10): ontzag voor de Heer én weten dat de Heer ons, schamelen, ontziet. Dat is haar basishouding, de levensinstelling die zij mensen aanbiedt, waarvan zij verwacht dat die in haar voedsel tot ontplooiing zal komen: het kennen van de Hoogheilige, van Wie zij het troetelkind is. Het kennen van de Hoogheilige: van geen kwaad weten, naar oneindigheid reiken, geen verdeeldheid ervaren, volmaaktheid vermoeden, het goede voor ogen hebben, liefde genieten, overstelpt door genade, zomaar omdat jij het bent. En zijn lof zingen. Zo genadig is de Heer. Wijsheid weet dat.
In het evangelie gaat het ook om een soort afsluiting. Het zijn de laatste woorden van Jezus in de z.g. ‘broodreden’, ook als een soort climax; hij windt er nu geen doekjes om: “Het brood dat ik zal geven is mijn vlees”. Als de Jood goed wil luisteren, hoort hij Jezus zeggen dat het brood zijn persoon is, levend en wel. Een reactie als “Hoe kan hij ons zijn vlees te eten geven?” ligt min of meer voor de hand; voor degene die niet wil, maar ook voor de goed-willende. Het is zo ingrijpend dat automatisch een afweer ontstaat: kan niet, dat is te veel. Maar Jezus houdt vol: “Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echt drank”. Dit laatste is wel het einde: iemands bloed drinken? Nog nooit gehoord. Van slachtvee drink je nog geen bloed, laat staan van een mens. Tenzij …
Tenzij, tenzij er wel iets heel bijzonders aan de hand is. Tenzij degene dat zegt die zich er op mag beroepen dat hij door de levende God is gezonden, die weet dat hij leeft door de Vader, de levende Hoogheilige, die de Schepper kent van vóór het begin van de schepping, die Zijn troetelkind is, die weet wat Leven is, die het Leven zelf is, oneindig, onverdeeld, ondergedompeld in liefde - het bewuste kennen. Hij geeft Leven, zijn Leven, in ons, hij geeft zijn persoon aan ons, laat ons delen in zijn goddelijkheid. Wijsheid biedt aan: “Komt en eet van mijn brood … Bewandel de weg van het inzicht, laat uw onverstand varen en u zult leven”. Jezus maakt waar, maakt concreet wat Wijsheid aanbiedt: “Zoals ik leef door de Vader, zo zal ook hij die mij eet, leven door mij”. Als wij maar in ’s Wijsheidsbasishouding ons open stellen voor inzicht, geloofszicht, als wij maar op God gericht zijn; en daarbij helpt Jezus ons ook nog.
Om dat voor ons mogelijk te maken, concreet te maken, heeft hij zijn Eucharistie ingesteld. Op de avond voor zijn lijden, toen hij wist dat hij zou gaan sterven, toen werd het mogelijk; vanaf toen werd de vraag “Hoe kan hij ons zijn vlees te eten geven?” beantwoord. Als wij ‘door Hem en met Hem en in Hem’ de Vader danken door Wie hij leeft, kunnen wij één zijn met hem en delen in Zijn goddelijk Leven. Op zo’n moment is ‘Vreze des Heren’ eigenlijk geen onderwerp meer. In Hem zijn we daaraan dan even voorbij omdat hij compleet is.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Op jonge leeftijd wordt wijsheid je nog wel eens ontzegd. Dat is niet de Wijsheid die de schrift bedoelt en ook niet wat Jezus voor ogen heeft. De vraag ‘Hoe kan dat?’ speelt haar rol. Die vraag is alleen te beantwoorden binnen het religieuze, binnen symboliek die naar dat Andere verwijst, en binnen geloof dat De Andere tegenwoordig stelt. Binnen geloof in Jezus Christus kun je als basishouding samen met Hem doen en danken en ook deel krijgen aan zijn Wijsheid, zijn Leven … omdat je samen met Hem doet.
“Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt …” Zullen we ons even tijd gunnen dat over ons te laten komen