OPENINGSWOORD
Broeders en zusters, welkom. In de eerste lezing van vandaag gaat het over wijsheid. In de tweede lezing over hoe wij ons moeten gedragen. Wijsheid en gedrag, die twee horen bij elkaar. Wie niet wijs is, zal zich niet goed weten te gedragen.
Nu is er veel wijsheid in de wereld. Misschien nog meer valse wijsheid waar jijzelf en de gemeenschap niet mee gebaat zijn. Er is slechts één wijsheid, die leidt tot eeuwig geluk. En dat is uiteraard Jezus’ wijsheid.
Vragen wij God, dat wij naar die wijsheid willen leven. Wij hebben nu toch wel ervaren dat de wijsheid van de wereld het lang niet altijd bij het rechte eind heeft. Volgen wij Hem die ons liefheeft met zijn eigen leven.\
OPENINGSGEBED
Heer God, tot alle volkeren richt Gij uw uitnodiging. Gij bereid voor hen het gastmaal van brood en wijn, begin van eeuwig leven. Geef ons het geloof om op uw roepstem in te gaan, leer ons beseffen dat Gij ons in deze eucharistie uw eigen leven meedeelt. Dan zal ons leven van alle dagen een lofzang worden, U ter eer. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon … .\
PREEK
Broeders en zusters, vandaag weer een gedeelte uit de toespraak van Jezus over zichzelf als het levende Brood uit de hemel: “Als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u”.
Die woorden klinken misschien hard, want hoeveel mensen zijn er niet, die níet dat hemelse brood eten!? Ofwel omdat zij er niet in geloven, ofwel uit gemakzucht, want wil je het eten, dan zul je toch de moeite moeten nemen naar de kerk te gaan.
Als mensen helemaal niet geloven is dat natuurlijk jammer. Maar er zijn genoeg mensen, die wel geloven, al is het maar een beetje, maar die zich niet willen binden. Zij willen met hun leven kunnen doen wat zij zelf willen. Zij zijn - misschien onbewust - dienaars van zichzelf.
Tegen jullie kan ik het wel zeggen, want jullie zijn hier: naar de kerk gaan is belangrijk. Het heiligen van de Dag des Heren is niet een voetnoot, een klein onbelangrijk regeltje, maar is vastgelegd in de Tien Geboden van God. Temidden van die grote regels die aangeven dat wij niet mogen moorden, stelen, liegen en echtbreuk plegen, geen afgoden vereren, staat dat wij ‘s zondags God moeten eren. Niet een vrijblijvend advies, maar een goddelijk bevel.
Of wij later in de hemel komen hangt af van de vraag of wij hebben geprobeerd de geboden te onderhouden. Van de vraag of wij hebben liefgehad. Jezus vertelt ons bijvoorbeeld het verhaal van de talenten. Die moet je goed gebruiken. Je moet de minsten van de zijnen van harte liefhebben.
Maar het jammere van veel hedendaagse christenen is, dat zij hun liefde beperken tot de naaste. De naaste wordt in onze tijd - gelukkig - niet door iedereen vergeten. Maar hoeveel naastenliefde er ook is … de wereld is nog steeds niet een paradijs. Veel mensen vergeten helaas, dat het gebod van de liefde een dubbel gebod is: God liefhebben en de naaste als jezelf. De Tien Geboden, broeders en zusters, beginnen met drie geboden over God. Het eerste gebod is dat wij Hem de eerste en de enige moeten laten zijn; het tweede dat wij zijn Naam alleen met eerbied mogen gebruiken en het derde dat wij de Dag des Heren moeten heiligen.
Nu is de eredienst, die God van ons vraagt, eigenlijk helemaal niet moeilijk. God vraagt geen bloedoffers, geen tienden van onze inkomsten. God vraagt alleen dat wij liefhebben, Hemzelf en onze naasten. Zoals Jezus zich in brood en wijn, in vlees en bloed, aan ons heeft gegeven, zo moeten ook wij God en de naaste liefhebben tot het uiterste. Als wij Jezus’ leven, Jezus’ offer, aan God aanbieden, geven wij een liefde tot het uiterste en helpt God ons, die liefde meer en meer in praktijk te brengen.
Kunnen mensen dan niet genoeg liefhebben als zij niet naar de kerk gaan? Zijn er niet sommige mensen, die niet naar de kerk gaan en toch veel nobeler zijn dan sommigen, die wèl naar de kerk gaan?
Gelukkig zijn de kerkgangers niet de enige goede mensen op aarde. Maar … als niet-kerkgangers al goed kunnen doen, hoeveel meer goed zouden wij, die wèl het brood van het eeuwige leven ontvangen, dan niet moet kunnen doen!? Hoe komt het dat zoveel mensen niet in God geloven? Is het misschien omdat wij met z’n allen te weinig van Hem getuigen? Is het misschien, omdat onze daden enkel menselijk zijn en er geen goddelijke kracht van uit gaat? Kunnen de niet-kerkgangers wel iets bijzonders aan ons bespeuren, iets dat ons anders maakt als anderen? Gods kracht werkt in je in de mate dat je ook door de dag eens aan Hem denkt. In de mate dat je Hem bedankt, want wie bedankt krijgt weer nieuwe gaven. In de mate dat je Hem om zijn wijsheid en inzicht en sterkte vraagt. Wie zoekt, zal vinden, zegt Jezus zelf. Hoe vaak zeggen wij tegen God, dat wij van Hem houden? Als wij dat niet doen, is er dan wel een bijzondere relatie tussen Hem en ons? “Ja maar, ik ben niet zo, dat ik dat zeg!” Nu, misschien wordt het wel tijd dat je wèl zo wordt. Welke mens vind het niet fijn om te horen dat je van hem of haar houd. Zou God anders zijn?
Het is heel belangrijk, beste medegelovigen, dat wij onszelf als christenen sterker maken. Wij hebben in onze maatschappij nu nog veel christelijke normen en waarden, maar het gevaar bestaat, dat ze langzaam uitsterven. Veel volwassen kinderen zijn nog gedoopt. Zelf hebben zij niet allemaal hun kinderen laten dopen. En zo kan het verder gaan. Steeds minder gedoopte mensen. Steeds minder is God aanwezig. Met alle gevolgen van dien.
Maar als wij Gods aanwezigheid in ons sterker maken, onze vriendschap met Hem versterken door met Hem om te gaan, zoals wij met elkaar omgaan, dan zal het christelijke licht weer sterken gaan schijnen in onze maatschappij, zal er weer meer kracht van ons uitgaan, tot heil van onszelf en tot heil van alle mensen met wie wij leven.
Laten wij de eucharistie bewust vieren. Het is een ontmoeting met de allerhoogste God. Nergens ter wereld is zoveel liefde, kracht en wijsheid te vinden als hier, aan het altaar van de Heer. Proberen wij mee te doen met heel ons hart. Dan komt het Hart van de Heer weer in onze maatschappij.