We hoorden vandaag het vervolg van de ‘broodrede’ van Jezus in Johannes 6. Voor wie er vorige week niet bij was, wordt het laatste vers zelfs nog als eerste herhaald, en we krijgen daarin een soort samenvatting van het voorafgaande.
Johannes plaatst het gesprek van Jezus met zijn tijdgenoten in de context van het verhaal van Exodus, van de Uittocht, niet als iets van het verleden, maar van het hier en nu.
Op grond van de Naam van God, IK BEN, de bevrijdende God van Israël, die bevrijdt uit alle ellende van Egypte en op weg zet naar het land van belofte. Op grond van die Naam mag het volk van Israël rekenen op brood uit de hemel, brood dat uit de hemel afdaalt met het oog op het leven van het volk. God daalt af naar de aarde, naar de ellende van de wereld en schenkt zichzelf als brood voor onderweg, opdat niemand terug hoeft naar slavernij, dood en chaos maar de levensweg mag vervolgen naar het land van belofte, het land dat symbool staat voor een leven, waar God - IK BEN - koning zal zijn en de mens werkelijk bevrijd, op een menswaardige manier mag en kan leven.
IK BEN, de God van Abraham, Isaak en Jakob, de God van Mozes, de God van alle eeuwen, stelt zich garant voor brood dat leven in dit land van belofte mogelijk maakt: “Wie eet van dit brood zal leven in eeuwigheid.”
En de Naam van God, IK BEN neemt hier de concrete gestalte aan van het mensenleven van Jezus: “Het brood dat ik zal geven is mijn vlees voor het leven van de wereld.” Het woord ‘vlees’ geeft aan dat het hier gaat over het menselijke leven in alle kwetsbaarheid, niet zoals wij mensen onszelf idealiter graag zouden zien, maar de concrete feitelijke menselijkheid, zoals we zijn, in al onze zwakheid. In deze betekenis, zegt Johannes, is Gods Woord ‘vlees geworden’: voor ons mensen herkenbaar, solidair met de mens die wij vanaf Adam zijn met alle mislukkingen. Dit menselijke kwetsbare vlees zal Jezus geven voor het leven van de wereld.
Hierover ontstaat strijd onder de luisteraars, het morren wordt vechten: “Hoe kan hij ons zijn vlees te eten geven?” Heel vaak is er in de verhalen bij Johannes sprake van een misverstand, en horen we eerst wat de luisteraars verkeerd hebben begrepen om daarna te horen waar het Jezus wel om gaat. Hier is meer aan de hand dan een misverstand. Jezus’ vlees te moeten eten, is een gruwel, en dat blijft het, ook na de uitleg van Jezus, zeker als we bedenken dat de eerste betekenis van iemands vlees eten geen kannibalisme is, maar wel iemand vernietigen, kapot maken. Hoe kan dit goed zijn, Gods bedoeling met hem, met ons, voor ons? Dit vraagt een weg van geloof, van overgave en vertrouwen, en die is niet eenvoudig. “Hoe kan hij ons zijn vlees te eten geven?”
Op deze vraag antwoordt Jezus door te zeggen dat wie leven wil hebben, het vlees moet eten en het bloed moet drinken van de Mensenzoon.
Nu is de Mensenzoon een bijbelse figuur in wie wij gelovig best Jezus mogen (h)erkennen, maar die hier niet automatisch mee samenvalt. De Mensenzoon is de mens die weet heeft van de plaats van de mens: de mens leeft op de aarde onder Gods hemel. Vanuit de hemel schenkt God de aarde aan de mens als een goede, veilige plaats om te leven. Steeds opnieuw - minstens vanaf de toren van Babel - denkt de mens straffeloos Gods hemel weg te kunnen denken en zichzelf tot middelpunt te maken, zelf voor God te spelen, de bescherming van de hemel niet meer nodig te hebben. En steeds opnieuw komt de mens (zonder de hemel) bedrogen uit. De (bijbelse figuur van de) Mensenzoon nu zet de zaken weer in het juiste evenwicht, de Mensenzoon leeft, niet op Gods plaats, niet op de aarde zonder meer,
maar op de aarde onder Gods hemel. De Mensenzoon is degene die de kwetsbaarheid van de mens erkent en weet dat wij de hemel nodig hebben. De Mensenzoon is niet degene die redding komt brengen door koning te zijn, maar door kwetsbaar te zijn, door in Gods Naam het kwetsbare leven van de mens te leven. De Mensenzoon is de ware mens, zoals door God bedoeld in wie Gods heil en bevrijding uit chaos en ellende, uit menselijke benauwdheid doorbreekt. In deze mens deelt God het lot van de mens tot in de ellende, ja tot in de aftakeling en de dood, om daardoor en daarin de(ze) mens te verheffen.
Van deze Mensenzoon nu zegt Jezus, moeten zijn leerlingen het vlees eten om leven te hebben. Waar wij mensen leven als mensen op aarde zónder de hemel, waar wij zelf voor God spelen, daar nemen wij elkaar het leven af. De Mensenzoon gééft zijn leven, zijn vlees reikt hij ons aan. In de vernederende dood van Jezus aan het kruis draagt de Mensenzoon het leed, het bloed dat vanaf den beginne over de aarde vloeit, wat wij mensen elkaar aandoen. Hij draagt het voor ons, ten bate van ons. Zo wordt hij, het lam van God dat de zonden van de wereld wegdraagt. Alleen zo is hij koning.
Zijn vlees eten en zijn bloed drinken is daarom niet puur negatief. Het laat zien dat wij ons bewust zijn van het feit dat ook wij mensen zijn die elkaar eten, elkaar kwaad doen, het licht in de ogen niet gunnen, maar tegelijkertijd laat het ook zien dat we ons bewust zijn dat in hem al dit leed is weggedragen. Zo is het eten van zijn vlees geen misdaad, maar een daad van heil.
Waar brengt het einde van de broodrede ons?
Vorige week beloofde ik terug te komen op het verband met de Eucharistie. Twee zondagen hebt u mij horen worstelen om de betekenis van Johannes 6 te verstaan, om niet te snel te zeggen: O, ik weet het al, Jezus bedoelt de Eucharistie. Zo’n houding maakt het namelijk onmogelijk om echt te luisteren: wat zegt Johannes, waar gaat het Jezus om?
Vorige week zei ik: Johannes 6 gaat niet over de Eucharistie. Nu zou ik zeggen: het is andersom: als wij Eucharistie vieren (en in afgeleide vorm de Woord- en Communieviering) dienen we te verstaan hoe deze maaltijd verwijst naar de God van Israël en zijn dienaar Jezus die zich het leven van de mensen aantrekt, gemeenschap met de mens kiest, juist met de mens in alle kwetsbaarheid, de mens in nood en ellende, in de schaduw van de dood.