Wij mensen zijn een geestelijk-lichamelijke eenheid. Vraag niet waar precies geest en lichaam elkaar vasthouden, en vraag ook niet wat er precies gebeurt als lichaam en geest elkaar loslaten. Dat weet niemand. Wat wij wel weten is dat onze geest zich voortdurend lichamelijk uitdrukt. Je ziet aan iemands gezicht dat hij of zij een blije mens is. Je ziet aan de tranen die uit iemands ogen lopen dat iemand heel verdrietig is. Je ziet aan de manier waarop mensen elkaar aankijken of ze van elkaar houden of elkaar haren. Je ziet aan iemands trillende handen, dat hij zenuwachtig is.
Je voelt aan iemands handdruk dat hij je dankbaar is, ook al wordt er geen woord bij gezegd. Ons geestelijk-zijn drukt zich voortdurend lichamelijk uit. Hoe dat wonder werkt, weten we niet, of nauwelijks, we weten wel dat dat wonder werkt. Het kan zelfs zeer funest en slopend werken. Als iemand veel spanningen weg moet slikken, of veel tegenwerking ondervindt, kan het gebeuren dat hij zomaar een maagzweer krijgt of een hartinfarct, zelfs met dodelijke afloop.
Onze geest heeft een merkwaardige invloed op ons lichaam. Moedeloze mensen zijn bijna altijd ook lichamelijk moe. Mensen die teveel zorgen hebben kunnen in een maand tijd er jaren ouder uitzien. En mensen die de ene teleurstelling na de andere moeten incasseren kunnen daar ziek van worden. Succes daarentegen maakt een mens onvermoeibaar. Hoop geeft je een uithoudingsvermogen dat aan het onmogelijke grenst. Waardering roept prestaties op die onvermoed groot kunnen zijn. Een voetbalclub zonder supporters is nergens. Als je vecht voor een goede zaak en je weet dat collega’s achter je staan dan kun je het, omdat het je fit maakt. Wij moeten nooit de positieve invloed van de menselijke geest op ons lichaam onderschatten. Het is niet zo’n onbegrijpelijk wonder als Jezus van een zieke die genezen is zegt: ‘Uw geloof heeft u gered’, behalve dat het een wonder is dat het geloof zo’n invloed kan hebben op het lichaam. Als een zieke kan geloven dat God hem draagt, kan hem dat een rust geven die al zijn energie vrij maakt voor zijn genezing. Heel vaak horen we mensen zeggen: als ik mijn geloof niet had gehad was ik er nooit doorheen gekomen.
Er zijn nogal wat mensen die zeggen: ik ben van huis uit katholiek of protestant, maar ik doe er niets meer aan. Het zegt me niets meer. Of: ik heb ruzie gehad met een van die mensen die altijd op de voorste bank zaten. Die mensen, hoe begrijpelijk hun reactie ook is, zijn niet te benijden. Ze hebben een geweldige geestelijke kracht overboord gegooid, en misschien ook een kostbaar medicijn.
Jezus heeft het over de positieve waarde van het geloof als hij zegt: ‘Wie gelooft heeft het eeuwig leven'.