Wie hongert en dorst naar de gerechtigheid en daarom zalig geprezen wordt door Jezus, hongert en dorst niet naar meer rechtvaardigheid. De rechtvaardigheid in deze wereld behoort tot de dingen die bovendien zullen gegeven worden aan wie eerst het Rijk Gods zoekt en zijn gerechtigheid. De gerechtigheid van het Rijk Gods is de overvloed van Gods zegen, waarover Jezus leert, de overvloed van rust waar Hij binnen wil voeren allen die naar God en zijn vrede verlangen. De vrede in de wereld zullen ze ondervinden als ze naar de vrede van God verlangen. De wijsheid in de wereld zullen ze krijgen als ze eerst Jezus’ wijsheid in zich opnemen. Het dagelijks brood zullen ze smaken als ze eerst ‘het voedsel ten eeuwigen leven’ blijde uit zijn hand ontvangen. Broeders en zusters zullen ze vinden als ze Jezus’ woord en wijsheid, als ze Hemzelf, zijn Vlees en Bloed, zijn verheerlijkt Lichaam tot zich zullen nemen, als ze zullen geloven dat Hij zich als voedsel geeft, na zijn dood, verrezen, verheerlijkt, niet meer gebonden aan tijd en plaats, vrede stichtend, rijkdom schenkend, honger stillend en dorst, rust biedend aan allen die het werk van het geloof diep in hun harten voltrekken, tot ze, helemaal omgevormd, hun nieuw en eeuwig bestaan beginnend, alles reeds nu van zijn vrede en rust doortrekken, niet meer grijpend naar teveel brood, niet meer klauwend naar nog grotere rijkdom, niet meer vertrappend wie in hun weg staat, niet meer sleurend en slavend om meer te hebben, niet meer meegesleurd door hun volgende passie, niet meer schreeuwend in paniek om manna, maar levend van Jezus zelf, met veel of met weinig of met niets, vertrouwvol in de meest vijandige woestijnen van hun leven. ‘Wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen’.
De Joden weten geen weg met wat Jezus zegt. Ze hebben wel begrepen dat Hij bij Tiberias aan het meer op een of andere manier aan allen brood bezorgd heeft. Het is iets wonderbaars geweest. Ze zoeken er meer van te weten. Ze gaan Hem achterna en vinden Hem. Hij is in Kafarnaüm, enkele mijlen verder. Ze vragen hoe en wanneer Hij daar gekomen is. Ze willen alles begrijpen van Hem. Ze willen zich ‘van Hem meester maken’. Ze willen alles van Hem weten. Als Hij kun koning moet worden moeten ze Hem in al zijn doen en laten kunnen volgen. Ze zijn pers en parlement en volk tegelijk. Niets van Hem mag hen ontsnappen. Ze moeten Hem in handen hebben, alles controleren wat Hij doet. Hij moet een koning naar hun zin zijn. Eigenlijk willen zij dicteren hoe alles te werk zal gaan. Met zijn rare uitspraken en beweringen zijn ze ontredderd. Ze zijn er zeker van dat Hij ‘de zoon van Jozef’ is. Ze kennen ‘zijn vader en moeder’. Ze hebben erkend dat God met Hem is in die vermenigvuldiging van de broden en in zijn andere wonderen en genezingen. Hij heeft gezag bij Hen door zijn leer. Onder alle profeten van hun beroerde tijd kan Hij zeker het best aanspraak maken op hun steun voor het Messiaanse koningschap. Maar dat Hij ‘‘het brood’ is ‘dat uit de hemel is neergedaald’
Zijn uitspraken zijn niet alleen eigenaardig. Ze zijn hoogst ergerlijk. Mozes had hun het brood uit de hemel gegeven. Mozes had hun het manna gegeven in de woestijn. Mozes had het volk verzadigd met manna en het onderricht met de geboden en heel zijn leer. Dat was het brood en de leer die van God kwamen. Dat was de Wet. Alle profeten hadden daar steeds naar verwezen. Al hun feesten hadden dat steeds herdacht en gevierd. Mozes was voor hen Pasen en Pinksteren en Nieuwjaar. Alles was in de Wet van Mozes vastgelegd en nooit in der eeuwigheid zou daar iets aan veranderen. En uitgerekend ’toen het Paasfeest van de Joden op handen was’, scheen die kandidaat koning van Israël, die ‘rabbi’, die wonderkrachtige Godsman, die ‘profeet’ die in de wereld moest komen, natuurlijk om de heerlijkheden die Mozes had ingesteld weer hun volle luister te geven, om het volk weer te bevrijden van de overheerser, om de Romeinen te weerstaan en de Wet van Mozes weer tot in de puntjes te doen onderhouden, de feesten weer helemaal als vroeger te laten vieren, om in onafhankelijkheid koning en Messias te zijn, die de Wet van Mozes zou doen naleven en die er zich zelf zou naar schikken, uitgerekend nu, bij het nakende hoogfeest van Pasen, scheen die Jezus van Nazaret, die een nieuw manna gaf en - vergisten zij zich niet? - ook Mozes’ Wet vernieuwde, zich boven Mozes te stellen. Ergerlijker kon het niet.