‘Spreken is zilver, zwijgen is goud’, zeggen we, en inderdaad, vaak is het verstandiger niks te zeggen. Maar soms is het christelijker als je je mond wel opendoet. Er zijn immers momenten waarop je ten behoeve van anderen in opstand moet komen: op school wordt altijd dezelfde gekleineerd en gepest; op het werk wordt altijd dezelfde voor joker gezet, en altijd dezelfde krijgt de schuld. Dan neem je het voor zo iemand op. Je doet je mond open, en komt in opstand.
Of je leest dat sommige mensen er altijd onderdoor moeten, geen thuis hebben: politieke vluchtelingen. Of je hoort hoe mensen gevangen zitten omwille van de goede zaak, en je verheft je stem; je sluit je bijvoorbeeld aan bij Amnesty International, en schrijft wat je ervan vindt.
Wie dat ooit gedaan heeft - zeggen waar het op staat wanneer er heel duidelijk onrecht geschiedt -, weet ook dat dit bijna nooit in dank wordt afgenomen. Waar bemoeit ze zich mee? Wat denkt hij wel? Of, zoals tegen Jezus: We kennen toch zijn vader en moeder. We weten van wie Hij er een is. Laat Hij zijn mond toch houden.
Dat is de profeet Elia ook overkomen: hij treft wantoestanden aan in zijn omgeving; hij klaagt het onrecht aan; hij maakt de afgoden belachelijk, en vraagt om eerbied voor Jahwe, de enige en ware God. Maar ze vinden hem lastig; ze willen niet luisteren, drijven hem in het nauw, en willen hem uit de weg ruimen. Elia vlucht de stad uit, de woestijn in, en onderweg wordt het hem allemaal te veel. Moe tot op het bot, en gekrenkt tot in zijn ziel, zegt hij: ‘Laat me maar doodgaan hier. Ik kan niet meer verder’. Maar God laat hem niet in de steek, laat hem niet in wanhoop omkomen. Hij geeft een teken: wonderbaar voedsel, eten en drinken. Brood zoals het manna in de woestijn, water zoals Mozes uit de rotsen sloeg. Zo doet God met zijn volk. Zo doet Hij ook met zijn profeten. Elia overwint de moedeloosheid, en zet zijn tocht voort, veertig dagen lang.
‘God stuurde een engel om hem te sterken’, staat er te lezen. Dat lees je vaker in de Bijbel: wanneer de dood heel dichtbij komt, stuurt God een engel. Abraham maakte dat mee, Mozes, Elia en vele anderen. Ook Jezus is het overkomen in zijn verla-tenheid. Wanneer Jezus in de Hof van olijven, door iedereen verlaten, bang voor de dood, bidt dat de kelk van het lijden aan Hem voorbij mag gaan, ‘stuurt God’, vertelt de Bijbel, ‘een engel om hem te sterken'.
Engelen bestaan niet, zegt een liedje. Maar de Bijbel zegt van wel. En velen die ooit in de woestijn zaten, ten einde raad zoals Elia, of die in de Hof van Olijven zaten, net als Jezus bang voor het lijden en de dood, kunnen ons vertellen hoe ze gesterkt werden door engelen, engelen van mensen.
Een vrouw die haar zieke en hulpbehoevende man blijft verzorgen. Als ik geen engel van een vrouw had, kon ik deze laatste maanden niet thuis blijven. Engelen van mensen: een goede vriend of vriendin die je erdoorheen sleept; kinderen die er alles aan doen om hun ouders een mooie oude dag te geven; maar ook mensen die het altijd opnemen voor hen die dat zelf niet kunnen of durven; mensen die hun mond opendoen wanneer er onrecht geschiedt. Het zijn engelen van mensen, in wie God voelbaar is, heel dichtbij.
Jezus van Nazaret was (volgens de getuigen) zo’n engel van een mens, Gods engel bij uitstek. In Hem was God - meer dan ooit, en meer dan in wie ook - de mensen nabij. En Hij is dat nog steeds in het brood dat wij hier eerbiedig delen, en dat in een oude Latijnse hymne panis angelicus, engelenbrood, wordt genoemd. Hij die een engel van een mens was, en mensen heel nabij was, is ook ons intens nabij in het panis angelicus, brood uit de hemel, voedsel om ons te sterken onderweg.