Wie gelooft heeft eeuwig leven

B-cyclus · Tijd door het jaar · 19e zondag · groen

Uit de evangelielezing die we zojuist gehoord hebben, zou ik één zinnetje willen lichten: ‘Wie gelooft heeft het eeuwige leven!’

Geloven. Maar geloven is nog heel wat anders, nog heel wat meer dan alleen maar het opzeggen van de geloofsbelijdenis: ik geloof in God… en in Jezus Christus, zijn enige Zoon. Geloven eist oneindig veel meer dan iedere zondag trouw naar de kerk gaan, meer dan bidden voor en na het eten. Waarmee ik natuurlijk niet wil zeggen dat u dan b.v. maar niet meer naar de kerk moet gaan. Ik wil alleen zeggen dat het daarbij niet mag blijven. Het geloof in Christus moet vruchten dragen.

Geloven is een werkwoord. Geloof, christendom is daad. Dat hadden de christenen van de eerste eeuwen al begrepen, want zij hebben de allereerste ziekenhuizen ter wereld opgericht, de eerste tehuizen voor bejaarden, voor gehandicapten, voor wezen en daklozen. Wij zijn ons dat allemaal niet meer bewust, wij vinden al die dingen vanzelfsprekend. Maar in de wereld waarin het christendom ontstond, was dat helemaal niet vanzelfsprekend. Nu zijn in onze landen al die taken overgenomen door de staat. Maar dat hoeft ons, christenen, niet te spijten, integendeel, dat is het bewijs dat het daadwerkelijk geloof van de eerste christenen vruchten gedragen heeft en zuurdeeg is geweest voor de hele menselijke gemeenschap. Overigens, er blijft nu nog altijd enorm veel te doen.

Geloven is bij Jezus de kracht vinden om elke dag gebroken brood voor de anderen te worden. Als men ons zou vragen waarom wij elke zondag naar de kerk komen, dan denk ik dat het meest juiste antwoord zou zijn: ik ga naar de kerk om daar kracht te ontvangen, om me te sterken met het levende Brood, dat Jezus voor ons wil zijn, om er weer tegen te kunnen.

U kent allemaal Moeder Teresa van Calcutta. Zij heeft een werk gesticht om de kinderen naar wie niemand meer omkijkt een tehuis te bezorgen. Zuigelingen, die te vondeling worden gelegd en die zij soms in vuilnisemmers vindt, te redden, om melaatsen, die door iedereen geschuwd worden, een menswaardig bestaan te bezorgen, om mensen die naamloos op straat liggen te sterven, in hun laatste uren nog wat genegenheid te betonen, die zij hun hele leven lang gemist hebben. Op zekere dag zeiden een paar zusters tegen Moeder Teresa dat het werk hun boven het hoofd groeide, dat ze echt te weinig tijd hadden om alles te doen wat van hen verwacht werd. Het antwoord van Moeder Teresa was wel wat verrassend, want sinds die tijd is er in de kloosters een extra uur aanbidding in de kapel. De zusters hadden dus nog een uur minder tijd! Maar het wondere van het geval was, dat het werk niet slechter, maar beter gedaan werd. Dat is de vrucht van het geloof. Mensen die bovenmenselijk werk verrichten, zijn ervan overtuigd dat het allemaal niet kan zonder de genade, de bijstand van God. Daarom hebben ze ook allemaal een grote nood om zich te versterken met het brood, dat Jezus hun geven wil, ten bate van het leven der wereld.

Het moet ons toch tot nadenken stemmen: als een figuur zoals Moeder Teresa in onze tijd haar kracht zoekt bij Jezus in de Eucharistie, waardoor dat eigenlijk tengere vrouwtje in staat is om dingen te doen waar de wereld verstomd van staat, dan mag dat voor ons toch wel een aansporing zijn om ook onze kracht te zoeken in het levende Brood, dat Jezus ook aan ons wil geven. In het evangelie hebben we Jezus horen zeggen: ‘Niemand kan tot Mij komen, als de Vader hem niet trekt’. Dat moet toch betekenen: niemand kan geloven zonder de genade van God. Niemand kan blijven geloven zonder zich te voeden met het Lichaam van de Heer. Naarmate wij ons voeden met het lichaam van de Heer, worden wij door Hem gevoed tot eeuwig leven. Dat ontkiemt reeds op aarde door het geloof in Jezus, dat groeit door onze zelfgave aan de mensen in nood, dat voltooit zich in de eeuwigheid bij de Heer.

Zoeken in Preken Online