‘Tegen de dood is geen kruid gewassen’, zegt een spreekwoord. Koortsachtig zoekt de geneeskunde naar geneesmiddelen om het menselijk leven te verlengen, geneesmiddelen tegen het oud worden. Sinds mensenheugenis zoekt men reeds naar een levenselixir. Mensen willen altijd verder leven. Maar de sterfelijkheid zit in de wortels van ons menszijn, wij dragen de dood in ons bloed en niemand kan ons daarvoor behoeden. Ons leven is vergelijkbaar met een kaars, die, zodra ze aangestoken is, verder brandt en zich helemaal verteert. De geboorte van de mens is reeds het begin van zijn sterven. ‘Uw vaderen’, zegt Jezus, ‘hebben in de woestijn het manna gegeten en zijn gestorven…’. Wij mensen zijn hier op aarde op weg naar de dood, dat is één kant van ons leven, maar van de andere kant zijn wij ook op weg naar het volle leven, dat is de andere kant.
Eigenlijk is elke mens een mysterie: van de ene kant zijn wij uitgeleverd aan de machten van de dood en van de andere kant dragen wij ook reeds de kiem van het eeuwig leven in ons. Wat wij zien en ervaren is de vergankelijkheid van ons bestaan, wat wij geloven en hopen is de steeds groeiende werkelijkheid van het eeuwige leven, die van boven komt door de kracht van Gods Geest, en die eenmaal aan het licht zal treden.
Voedsel voor de groei en de ontplooiing van dat goddelijk leven in ons is de heilige eucharistie: ‘Ik ben het brood des levens. Wie van dit brood eet, zal leven in eeuwigheid’. Daarom noemen de kerkvaders de eucharistie een geneesmiddel tot eeuwig leven.
Wij ontvangen de eucharistie onder de gedaante van menselijk voedsel. Bij elk eten voltrekt zich een veranderingsproces. De voedingsstoffen worden door het lichaam opgenomen en veranderen in het lichaam van hem die eet, ze worden in ons lichaam vlees en bloed van onszelf.
In de eucharistische maaltijd gebeurt in een veel diepere zin juist het tegenovergestelde, brood en wijn worden wel in ons opgenomen zoals elk ander lichamelijk voedsel, maar onder deze gedaanten verandert de Heer zelf ons in Hem; door de heilige communie worden wij deelachtig aan het goddelijk leven van Jezus, zodat wij niet meer leven, maar Jezus in ons leeft. Zo wordt Jezus de vervulling van onze levenslange droom naar onsterfelijk leven.
Wij mensen zijn te klein om de volheid van Jezus’ woorden te begrijpen, wij moeten daarover niet discussiëren, daarvoor zijn ze te diepzinnig, te goddelijk. Wij kunnen die woorden alleen gelovig aannemen, omdat Jezus zelf ze gesproken heeft. Hij heeft ons beloofd dat Hij zelf onze honger en dorst naar liefde, geluk en leven zal verzadigen.
Het geheim van de eucharistie wordt tijdens de gavenbereiding ons telkens weer in herinnering gebracht, als de priester enkele druppels water bij de wijn voegt. Hij zegt dan: ‘Water en wijn worden één. Gij deelt ons mens-zijn en neemt ons op in uw goddelijk leven’. Dat is de kern van de consecratie, de kern van ons geloof in de eucharistie, wij worden opgenomen in het lichaam van Christus, wij worden opgenomen in zijn goddelijk leven en zo vindt ons leven de voltooiing in het eeuwig leven van God. De Kerk ontvangt steeds nieuw leven vanuit deze eucharistische maaltijd en zal door zich te sterken met dit brood voortbestaan totdat de dag van Christus aanbreekt.
De Joden morden en vroegen zich af: ‘Hoe kan Hij ons zijn eigen vlees te eten geven?’ Zij konden er eenvoudigweg met hun verstand niet bij, misschien morren wij ook en vragen wij ons af: hoe kan dat? Er is maar één antwoord: wie gelooft heeft eeuwig leven. Aan dit wonder van de goddelijke liefde kunnen wij ons alleen eenvoudig toevertrouwen, omdat Jezus zelf die belofte kan en zal Waarmaken. Dat is geen kwestie meer van verstand, maar van mateloze liefde. Wat bij mensen niet mogelijk is, is bij God mogelijk.