Het gebeurt ons allemaal dat we eens heel diep verlangen naar rust. Omdat we moe zijn, omdat we hét moe zijn. Het is ons allemaal teveel. Dat zeggen we na een lange lichamelijke inspanning. Dan is de slaap genezend. De slaap laadt ons op. Indien het echter gaat om psychische vermoeidheid, is de slaap niet gegarandeerd de meest vanzelfsprekende remedie. Integendeel, precies dan wordt het slapen het grootste probleem.
Wat Elia overkomt, ligt daartussenin. Elia is het vechten moe. De mensen die weerstand bieden zijn hem te sterk. Hij staat zonder verweer. Zijn woord vindt geen gehoor. De profeet is het spreken moe. De dovemansoren zijn te groot. Hij capituleert van binnen. Hij verlangt zelfs te sterven. Hij geeft zijn opdracht terug en bidt: schrap mij van de lijst van Uw profeten. Ik ben geen haar beter dan de mensen vóór mij: zij konden het ook niet aan, zij hebben het ook opgegeven.
Wij zijn vandaag bereid deze ontmoediging te begrijpen. De excuses van de profeten worden in onze soft-tijd makkelijk aanvaard. Wij hebben geleerd zoveel te begrijpen… Daarom kijken we met stomme ogen naar het vervolg van het verhaal. De engel verschijnt en die zegt niet: blijf liggen, blijf klagen, blijf zuchten. De engel zegt: Sta op en eet.’ Hij zegt het tot tweemaal toe. Elia at, stond op en… hij ging. Hij at een stevige koek en hij liep veertig dagen lang om te komen bij de berg van God. Vreemde taal. Sterke taal. Indien de engel gezegd had: sta op, dan was het verhaal hard en onmenselijk geweest. Nu zegt de engel ook: eet. Je moet sterker worden. Je kunt méér dan je weet. De engel sluit de klagende mens niet op in zijn verdriet. Hij biedt niet enkel warme vertroosting. Hij spreekt de klagende mens open. Hij wekt hem op om eerst te eten en om dan te gaan. Vertroosting is maar even. Zuchten en klagen is ook maar even.
Volgens Sint-Jan is dat ook de stijl en de taal van Jezus. Hij kent de ontmoediging van de leerlingen. Hij zegt ook niet dat wij onze ontmoediging mogen koesteren. Hij wil ons voedsel zijn… om op pad te gaan “ten bate van het heil van de wereld”. Dat is sterk. Er gaat kracht uit van dit woord. Als wij onze moedeloosheid koesteren, staan we toe dat de wereld het onrecht koestert. Dat is de ongehoorde logica van het defaitisme. Dat is een capitulatie die Vrij spel geeft aan die vele machten die nooit ontmoedigd worden. Zij gaan nooit liggen onder de bremstruik, zoals Elia. Zij zijn schijnbaar nooit moe.
Nu zegt Jezus vandaag: ‘Wie gelooft, heeft eeuwig leven.’ Dat woord is niet meteen een stimulans. Het klinkt veeleer als een theoretisch postulaat. Dat is echter een verkeerde lezing van Sint-Jan. Hij zegt veeleer: als je heel diep vertrouwt op Gods kracht, dan zal je een zaak dienen die zeer groot is. Dan sta je in een beweging die niet op onmiddellijk resultaat gericht is. Een profeet, een christen, werkt en leeft niet voor hoge scores die morgen in beurstabellen af te lezen staan. Met trouw aan Gods woord stijgen onze aandelen niet spectaculair. Zo maalt Gods molen niet. Zo gaan ouders ook niet om met hun kinderen. Ze geven te eten en roepen op om op stap te gaan.
Eten, opstaan en gaan, dat is het kleine Pasen van elke dag.