Het is onder mensen een alledaags gebeuren: een woord dat er te veel aan is, dat hard aankomt en een wederwoord dat nog schever aanslaat, en dan een woord dat slaat als een slag in het gezicht en een woord dat terugslaat en de vrede ligt aan scherven.
En dan haalt men er dingen bij die er helemaal niet aan te pas komen “en uw vader was toch ook…” en voor de zoveelste keer wordt dan een oude familiegeschiedenis opgedist.
Wat in een gezin, op een werkmidden, in een bestuur van een vereniging, in een gemeenschap gebeurt, was dus ook het geval in de kring van Jezus.
De joden morden onder elkaar: Wat verbeeldt die man zich? En je kent zijn vader toch, en zijn moeder? En dat beweert een zending te vervullen uit de hemel?
In plaats van in te gaan op de klein menselijke bezwaren over zijn afkomst, over zijn vader bevestigt Jezus heel rustig zijn echte afkomst. Spreekt Hij duidelijk over zijn Vader in de hemel. ‘Ik ben het brood dat uit de hemel is nedergedaald.'
Hij gaat in tegen het oeroude vooroordeel dat God zich moet vertonen in buitennatuurlijke fenomenen, in bliksem en donder. Alsof een gewoon mens niet goed genoeg zou zijn om Gods boodschap uit de dragen, en alsof gewoon brood geen teken kan zijn van zijn aanwezigheid in ons leven.
Als we eucharistie vieren zitten wij ook vol klein menselijke bezwaren: we vitten over woorden, we vallen over sfeer en versiering, of we liggen ook overhoop met onszelf, of met elkaar.
‘Ik ben brood voor onderweg’ zegt Jezus, bedoeld om je op te tillen uit die rotzooi van ruzie en misverstand, uit de klein geestige naijver, uit die domme veinzerij tegenover elkaar.
Daartegenover opent Hij een venster op onze echte bestemming, op de toekomst die tot in de eeuwigheid reikt.
‘Wie gelooft heeft eeuwig leven’. Hij zegt niet ‘die zal het eeuwig leven bezitten’ neen, ‘die heeft het eeuwig leven'.
Dat leven in God begint hier en nu. De hemel begint hier, telkens wij uitstijgen boven onze kleingeestigheden en ruzies die het leven verzuren. Elke eucharistie zou een stukje hemel moeten waarmaken. Weer mogen op weg gaan als verrezen mensen. Als we eucharistie gevierd hebben, als we gevoed werden met het brood uit de hemel, dan kunnen we ook op een andere manier aanzitten aan de tafel thuis. De maaltijd thuis ligt in het verlengde van de maaltijd die we hier nu samen gaan beleven: een oase van vrede.