Het is niet eenvoudig in korte tijd te begrijpen waarover een begaafd mens vijftig jaar heeft nagedacht. Daarom hebben wij misschien zo’n moeite met dit stuk uit het evangelie van Johannes. Die man heeft vijftig jaar nagedacht voordat hij in zijn evangelie opschreef wat hij in Jezus zag. Wij moeten er dan ook maar van uit gaan dat war hij schrijft heel diep gefundeerd is.
Hij laat in dit stuk evangelie zien hoe hartstochtelijk de joden naar het geluk zochten, en hoeveel die mensen daarvoor over hadden. Ze werkten hard voor hun dagelijks brood en ze deden hun uiterste best de wet van Mozes te onderhouden. Ik denk tenminste dat Johannes de wet van Mozes bedoelt als hij zegt: Mozes heeft u het brood gegeven. Mozes was de man van de wet. En die twee dingen: werken voor het dagelijks brood en stipte gehoorzaamheid aan de wet zouden in hun verwachtingen echt leven, echt geluk geven.
Nu zegt Johannes hierop: neen, dát zal je het echte leven, het echte geluk niet schenken. En hij heeft er vijftig jaar over nagedacht voor hij dit opschreef. Er is meer nodig, zegt hij. Er moet iets van buitenaf naar je toekomen wil je ook echt gelukkig worden. Brood uit de hemel, noemt hij het. En ik ben dat brood, laat hij Jezus zeggen.
Dit klopt met onze eigen ervaring. Echt geluk wordt je altijd door een ander gegeven. Toen een patiënt die doodziek was geweest te horen kreeg dat hij naar huis mocht, was het eerste dat hij deed, zijn vrouw opbellen. En pas toen hij haar het goede nieuws had verteld was zijn blijheid volledig. Zo zitten wij in elkaar: echt thuis komen kun je alleen als iemand op je wacht en blij is dat je komt. Vandaar dat Franciscus in zijn regel voor zijn celibataire broeders schreef: overal waar de broeders elkaar ontmoeten zullen ze elkaars huisgenoten zijn. Blijkbaar had hij het inzicht dat zelfs celibataire mensen niet zonder een ander kunnen. Zo zitten wij in elkaar. Zo heeft de Schepper ons gemaakt.
Wij zoeken het geluk steeds verder om ons heen. We werken voor ons dagelijks brood. Maar als we hebben bereikt wat we wilden, willen we meer. We werken voor bezit, we gaan naar een dokter, we werken aan een betere samenleving, we leven naar Gods wil en Gods wet. Maar telkens als we denken vlakbij het geluk te zijn, ligt het geluk al weer verder. En zo vind je het geluk nooit. Ons verlangen naar geluk is veel groter dan het leven ons bieden kan. Met al ons zwoegen en werken zullen wij nooit het geluk vinden waar ons hart naar vraagt.
Dat moet van buiten af komen.
Tja, en geef dat maar eens toe, dat je het zelf niet kunt, dat je jezelf niet genoeg bent, dat je kleiner bent dan je je voordoet: dat is niet eenvoudig. Maar het is wel de enige houding die het geluk van buiten af toelaat.
En wat is dat geluk dat van buiten Johannes zegt het: dat is het brood uit de hemel. Dat is Jezus zelf, die ons zegt: je verlangt naar geluk? Geluk is bemind worden, eindeloos veel, en eindeloos lang, en eindeloos intens. Dat geluk kan ik je geven. En ik geef je niet van mijn overvloed, ik geef je niet wat ik kan missen, af op je toekomt? ik geef mezelf aan jou. En als je dat kunt geloven heb ik je echt iets te zeggen. Want dan weet je dat ik niet met je geluk speel, maar dat ik je geluk wil. Ik heb je lief, hoe je ook bent. Wil je dat geloven van mij? Wil je dan alles geloven van mij? Ook dat het goed is als ik iets moeilijks van je vraag?