Mensen zijn rare wezens. Wij hebben soms een onpeilbare logica. Als we moeten werken als slaven met bijna niets om te eten, dan willen we de vrijheid. Als we dan de vrijheid krijgen, dan is het niet meteen allemaal opgelost en keren we nog liever terug: wij werkten voor bijna niets maar het was toch iets. Liever een broodje meer zonder vrijheid dan vrijheid zonder brood. Dat gebeurde vroeger, dat gebeurt ook vandaag in Oost-Europa. Dat gebeurt eigenlijk altijd met mensen. Hoe zit onze logica dan in mekaar? En wat moeten de bevrijders dan denken? Ze hebben er hun tijd, hun bloed en soms hun leven voor gegeven. En dan plots moeten horen: het was niet zozeer de vrijheid ons die interesseerde. Brood is belangrijker voor ons! Geef je aan mensen teveel als je hun vrijheid geeft? Of is de vrijheid te moeilijk om dragen, want vrijheid gaat nooit vanzelf?
Daarover gaat het in dit verhaal. Weg van de Farao, terug naar ons eigen land, gedaan met de deportatie. Als dat op zekere dag dan eindelijk gebeurt, dansen en springen en zingen: vive la liberté! En zwaaien met alle mogelijke vlaggen: de vreugde kan niet op!
En ’s anderendaags… bouwen aan de wederopbouw, langzaam maar zeker, en werken voor het dagelijkse brood. Nu wel in vrijheid maar het is toch werken, taai en saai. En hopen, dat het niet voor niets is. En wee u als het te lang uitblijft. Dan wordt de bevrijder een verrader: hij had ons beter maar niet verlost. Hij heeft ons belogen, hij heeft ons teveel beloofd. En als de bevrijder dan nog zegt, dat dit allemaal gebeurde omdat God het wilde, omdat Hij een God van bevrijding is, dan moet ook die God het ontgelden. Dan is hun buik plots hun God.
Wat doe je dan? Brood geven en spelen? Om het volk te sussen? Maar is dat leiding of misleiding? Voor de prof eet is dat het dilemma. Hij heeft een dubbele zorg: God dienen en het volk. Wat doet hij als er tussen deze twee kortsluiting is? Hij vraagt dan om een teken van God opdat het volk opnieuw zou zien en geloven. Het teken interesseert hem niet, maar dat het Verbond hersteld wordt, dat ze opnieuw geloven dat God erbij was als hij de vrijheid predikte, dat God erbij was toen de bevrijding gebeurde en dat God er ook nog is nu zij de na weeën (?) van de vrijheid proeven, dat interesseert hem.
En zie, er komt een teken. Geen groot mirakel, maar kwartels die neerstreken en zich gemakkelijk lieten vangen. En dauw die neerviel en een korrelige laag achterliet. Zodat ze vroegen: man-na? Wat is dat?
Manna is niet de naam, niet een merk van brood, maar een teken: wat is dat? Ja, wat is dat? Dat is een teken… geen mirakel, geen bewijs maar een antwoord op een vraag alleen de gelovige stelt: is God er nog of laat hij ons in de steek? Het is ook een teken dat alleen de gelovige verstaat
Is Hij nog nabij als wij de moeilijke weg gaan van slavernij naar emancipatie? Is Hij een afwezige, zwijgende God? Of alleen een God die betere tijden belooft en ons uitlevert aan onszelf als wij de strijd voor de vrijheid voeren?
Voor de profeet is het dilemma nu weggenomen: hij heeft het teken, het wenken van God verstaan. Zal het volk het nu verstaan? Of wordt bevrijding alleen maar geloofd als ze met taarten en slagroom kan worden gevierd? Zal Israël geloven in Zijn God ook als het leven stil is en hard?
Israël zal daar altijd opnieuw last mee hebben. Net als de mensen vandaag in Oost-Europa. Net als wij.
God is nooit evident aanwezig. Maar af en toe doet Hij een teken. Zullen wij dan vragen: man-na? Wat is dat? Zuilen wij dan kunnen zeggen: het is een teken van aanwezigheid? Of willen we alleen maar geloven als er mirakels gebeuren? Moet God sensationeel zijn om de vriend te zijn van onze trouw en onze vreugde?