Na de vermenigvuldiging der broden ’trok Hij zich weer in het gebergte terug, geheel alleen’. Wat doet Hij regelmatig en ook nu, ‘op eenen berg alleene’? De mensen hebben toch gelijk! Toen ze ‘het teken zagen dat Hij gedaan had zeiden ze: ‘Dit is stellig de profeet die in de wereld moet komen Jezus wás toch de profeet die moest komen. Nu bewees Hij zijn macht. Hij verzadigde een hele menigte. God was beslist met Hem. Als Hij dat kon, kon Hij nog veel meer. Hij kon de leiding van het volk op zich nemen. Zou Hij eigenlijk niet alles kunnen? En Hij trok ‘zich weer in het gebergte terug, geheel alleen’. Als Hij de profeet was die in de wereld moest komen, als het volk dat herkend had, en dat na dit teken erkend had, als Hij het vlees geworden Woord Gods was, als Hij in de wereld gekomen was, als Hij onder de zijnen woonde, als Hij onder hen zijn wonderen werkte, als Hij hen allen wonderbaar verzadigde, als ‘Hij begreep dat zij zich van Hem meester wilden maken om Hem mee te voeren en tot koning uit te roepen’, waarom trok Hij zich dan ook nu ‘weer in het gebergte terug, geheel alleen’? Was Hij dan hun koning niet?
Hij was hun koning. Hij was hun meester. Maar Hij kwam het volk niet verzadigen met brood. Hij kwam hun honger en hun dorst scherpen. ‘Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want ze zullen verzadigd worden’. Hij kwam hen leren vertrouwvol te bidden voor het brood dat dagelijks de mond verzadigt, ja, tot aan de dood, ja, maar ook voor het lied dat dagelijks het hart verzadigt, van wie de dagelijkse broodzegen van de Vader ervaren. Dat lied zou aanklinken ver over de dood heen, vóór de Eeuwige, met Hem, tot in eeuwigheid. ‘Onze Vader, ‘t brood alleene en houdt mijn herte in ‘t leven niet: ‘k bidde u, Vader, ‘t daaglijksch lied, wilt me, en ‘t daaglijksch brood verleenen’
Hij was hun Koning, Hij was hun Meester, Hij was de Profeet die in de wereld moest komen, maar het was niet in termen van macht dat Hij dacht. Al te velen vóór Hem hadden aan macht gedacht. Wat was er van hen geworden? En wat was er van het volk geworden dat hen gevolgd had? Zou dat spel van macht en onderdrukking altijd zo voortduren? Was dat het wezen van het menselijk avontuur? Dat was juist het avontuur dat altijd dood liep en dat Jezus wou doorbreken. Hij wou de mensen geen macht geven. Hij wou ze leren zingen het lied dat eeuwig duren zou. Niet in termen van macht dacht Hij, maar van wijsheid, van rust, van leven, van vreugde en van lied. Hij wou onderrichten en voeden, niet gebieden. ‘Rabbi, wanneer bent u hier gekomen’, vragen ze. Die term bevalt Hem, meer dan ‘koning’ of ‘messias’. De tijd is nog niet gekomen om zich als koning en messias te openbaren. Ze kunnen het nog niet aan. ‘Rabbi’ gaat veel beter. Hij kan hen als rabbi onderrichten. Het is wat Hij doet in een lang, geduldig gesprek.
Ze zijn goed gesteld. Ze willen meewerken om zijn Rijk te vestigen. ‘Welke werken moeten wij voor God verrichten’? Jezus ontneemt hen de adel van het werk niet. Hun werk zal vrij zijn en beslissend hun inbreng. Maar God is de eerste die werkt. Jezus is de tweede. ‘Mijn Vader is tot op de dag van vandaag voortdurend aan het werk, en ook Ik houd niet op met werken’. Het werk van de mensen is antwoord op dat goddelijk werk. ‘Dit is het werk dat God u vraagt: te geloven in Degene die Hij gezonden heeft’. ‘Werkt niet voor het voedsel dat vergaat maar voor het voedsel dat blijft ten eeuwigen leven en dat de Mensenzoon u zal geven’. Het voedsel dat blijft en dat Jezus geeft is Hijzelf, zijn leer, zijn spreken over God, dat alles verandert later zijn eigen leven, zijn Vlees en zijn Bloed, dat verrezen, hun vlees en bloed zal doordringen en heel hun leven zal omvormen. Dat schandaal geloven, in Hem geloven, dit nieuw bestaan ontdekken en beleven, is het werk van geloof dat God hen vraagt. Het is alles omkeren, vrij en beslist en beslissend.