Inleiding
‘God in zijn heiligdom doet allen eensgezind wonen in dit huis.’ Dat zijn de openingswoorden van deze eucharistieviering. Hij verleent weerbaarheid, kracht, oerkracht, aan zijn volk. Dat is dezelfde kracht waarmee de Vader Jezus deed opstaan uit zijn dood. Met die kracht is de Verrezene op deze zondag hier in ons midden, en Hij houdt maaltijd met ons zoals Hij ook deed met zijn apostelen, om in dat liefdesmaal zijn kracht, zijn oerkracht, zijn verrijzeniskracht mee te delen aan ons. Maaltijd houden met de Verrezene, dat is de zondagse eucharistie. Hij begeleidt zijn volk vanuit de hemel: ‘Deus in loco sancto suo’, ‘God in zijn heiligdom’, waar Hij één en al betrokkenheid is met ons. Om die betrokkenheid van God op ons gewaar te worden, om die aan ons te kunnen laten geschieden, daarvoor is geloof nodig. Dat is dan ook het eerste wat ons geschonken werd in de omgang van God met zijn volk, en dat vond plaats bij het doopsel. Dat is toch het sacrament van het geloof. Daarom willen wij dat op zondag eerst vieren, in herinnering brengen, en opnieuw aan ons laten geschieden.
Homilie
“Jezus ging de berg op en zette zich daar met zijn leerlingen neer. Het was kort voor Pasen, het feest van de Joden”, én het feest van de christenen. De evangelist stelt de wonderbare broodvermenigvuldiging uitdrukkelijk in het licht van Pasen, van de verrijzenis, van het nieuwe leven. Hij vertelt het verhaal dan ook in de termen van de eucharistie: Hij nam, brak en deelde uit, precies zoals in de eucharistie. De eucharistie is daarom ingesteld op Witte Donderdag, de eerste dag van het Paastriduüm, de heilige Driedaagse van Pasen. Het is dus een Paasgebeuren, het is een verrijzenisgebeuren. Je kunt dat ook zien aan de gedaante van de eucharistie, want dat is die van een maaltijd, van eten en drinken. En is niet alle eten en drinken er op gericht om de mensen te laten leven, te laten opleven, te laten herleven. Als je leven wat nalaat, als je je wat slap voelt, een beetje levenloos, dan eet je wat, je drinkt wat, en ala je dat gedaan hebt, kom je weer op krachten, dan herleef je, krijg je nieuwe kracht, levenskracht.
Soms zeggen ouders tegen hun kinderen: als je niet eet, ga je dood. Eten en drinken is dus eigenlijk zoveel als een natuurlijk Pasen, een Pasen onder de mensen, maar dan in het klein. Daarom is de maaltijd zo geschikt als uitwendige werkelijkheid voor dat diepere Pasen, dat geestelijke Pasen: Jezus die opstaat uit de dood en die de mensen daaraan wil laten deelnemen. Hij die ons doet opstaan, niet uit onze lichamelijke krachteloosheid, maar uit onze geestelijke, uit onze diepste krachteloosheid, die van de zonde. Dat is dan ook de reden, dat wij kunnen begrijpen dat de evangelist zoveel moeite doet om die nood tot uitdrukking te laten komen. Het heeft iets van te kort, van ontbreken, van nood, doodsnood.
De nood wordt in dit verhaal breed geschilderd. Het beslaat bijna de helft van het verhaal. “Hoe moeten wij brood kopen om deze mensen te laten eten?”, vraagt Jezus. Dan begint Filippus een hele redenering. “Wil ieder ook maar een klein stukje krijgen, dan is voor tweehonderd denariën brood nog te weinig” (een denarie is een dagloon, daar kon een gezin een dag van leven). Dat kan dus niet, zelfs niet voor ieder een klein stukje. Ga dan eens kijken wat we hebben. Ga eens naar onze voorraad kijken, naar onze reserves. En dan komt er als antwoord: “Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen, maar wat betekent dat voor zo’n aantal?”
Bij het paasgebeuren, bij de eucharistie, bij Gods werken aan ons, hoort dat wij nood hebben, een tekort. Het besef van een menselijk tekort. De eucharistie is geen luxe eten, het is niet een tussendoortje, het is niet iets voor de lekkere trek, of van routine, zo van: het staat nu eenmaal op het programma. Waarom eet je? Ja, dat moet nu eenmaal. Nee, de eucharistie is voor een noodsituatie, het is een noodrantsoen, het is een overlevingspakket, een situatie waarin de moeilijkheden te groot zijn en de mogelijkheden te klein. Vijf gerstebroden en wat vis, wat begin je daar nu mee voor zoveel mensen? En hoe vaak is het niet in een mensenleven, dat de moeilijkheden ons onoverkomelijk schijnen en onze mogelijkheden zo miniem. Of dat nu in het leven van de groep is, van de gemeenschap, van de Kerk. Hoe dikwijls is er niet een situatie van: we zien het niet meer zitten, of een situatie waarin mensen reageren vanuit hun natuurlijk zicht op de dingen met teleurstelling, met verbittering of onverschilligheid: ik had het me toch anders voorgesteld, zo kan het niet doorgaan.
Ook in het eigen individuele leven staat de mens voortdurend in zo’n situatie dat hij tekort heeft. Neem alleen maar de overgang van het leven in de moederschoot naar het leven er buiten. Dat is zo’n ingrijpend gebeuren, dat vergeleken daarmee alle andere veranderingen maar kinderspel zijn. En we hebben het allemaal overleefd. Dat mensen díe schok overleven, is een wonder, dat is een Pasen. Dat geldt even zo goed voor al die andere schokkende veranderingen: van het leven in de schoot van het gezin, van die geborgenheid naar het leven in het tweede milieu tussen vrienden en schoolkameraden, clubs, leiders, enzovoort. En van het leven als zelfstandig volwassene, als enkeling, naar het leven van zelf een gezin stichten, en dan tenslotte die allerlaatste verandering, die eindigt in het grote Pasen, de overgang van het leven hier naar het leven daar. En bij elk Pasen heeft de mens het gevoel: dat is te groot voor mij, dat kan ik echt niet aan, daar ben ik niet tegen opgewassen. Ik raak alles kwijt wat ik had in het leven dat ik leidde, en in het andere leven weet ik niet wat ik er voor in de plaats krijg. Hoe gaat het leven verder als ik geen beschermende hand boven mijn hoofd heb, als ik zelf de laatste verantwoordelijkheid moet dragen? Bijvoorbeeld in het klooster: anderen hebben mij gedragen toen ik binnenkwam, anderen hebben mij geduld, en nu komen er anderen en moet ik hen dragen, hen dulden. Een enorme overgang. Je bent gekomen in een tijd dat je niets wist en waarin je omgeven werd door mensen die het wel wisten, en dan komt er een tijd dat je het zelf moet weten, op eigen benen moet staan.
Zo staan we altijd in een pedagogische situatie met God, en zo is er dus altijd Iemand in ons leven die het weet en die ons ook laat merken dat Hij het weet. “Zelf wist Hij wel wat Hij ging doen.” Wij weten het niet, maar Hij weet het, en wij weten dat Hij het weet. Dat is geloven en dat wordt vandaag in het evangelie verkondigd. “Jezus ging de berg op en zette zich daar met zijn leerlingen neer”, als een meester voor de klas, meer nog als een meester die komt van God. Het is geen gewoon menselijk gebeuren, maar iets van Godswege, daar boven op de berg. Hij keert daar echter ook weer naar terug, Hij gaat het gebergte in, geheel alleen, ook weer naar God. Daar haalt Hij het namelijk vandaan. Jezus is de Herder namens God.
En passant vertelt Johannes ook nog dat daar veel gras was. Dat wordt erbij verteld niet als een aardrijkskundige bijzonderheid, dat je moet weten hoe het er daar met de vegetatie voor stond, maar om de herinnering, de associatie op te roepen van “de Heer is mijn Herder, het ontbreekt mij aan niets” (Ps 23). En zij aten zoveel zij maar wilden. “Hij laat mij grazen in groene weiden.” Er was daar veel gras. Dat is om de sfeer te bepalen, de geest waarin dit alles gebeurt. Dat wij bezig zijn met diezelfde geschiedenis waarin God zijn volk in het Oude Testament door de noden heen heeft gehaald.
Nadat de menigte was gaan zitten, nam Jezus de broden en na het dankgebed gesproken te hebben, of zoals bij de drie andere evangelisten staat van de wonderbare broodvermenigvuldiging: “Hij sloeg zijn ogen ten hemel”, brak de broden en “liet ze uitdelen onder de mensen die daar zaten.” Op deze wijze doorbrak Hij het gesloten samenzijn van mensen onder elkaar; ze zien elkaar, vergelijken zich met elkaar, bijvoorbeeld: hoeveel geld ze hebben, hun menselijke mogelijkheden en tekorten, enzovoort. Daar worden ze opeens uit weggehaald als ze de blik van Jezus voelen en zien. Zoiets gebeurt er ook als mensen de blik van de priester zien, wanneer hij bij de consecratie de ogen opslaat naar God. Ook hij breekt een gat in het gesloten samenzijn. Hij stelt God uit.
Eucharistie is geen feest van menselijke verbroedering, ‘alle Menschen werden Brüder’, dat is een geseculariseerde pasen, dat is menselijke solidariteit, oog hebben voor de noden van de mensen, breken en delen. In de eucharistie vier je niet zozeer de verbondenheid van mensen met elkaar, dat wij elkaar moeten vasthouden en met elkaar verbonden blijven door onze goede wil. Dat wordt natuurlijk niet uitgesloten, maar meer nog is het dat het wordt ingesloten in iets dat hoger is, dat groter is, namelijk Gods verbondenheid met óns. Zoals Jezus hoorde zeggen bij het doopsel, en ook wij bij ons doopsel hebben te horen gekregen: Je bent van Mij, je bent mijn kind, de uitverkorene (vgl. Mt 3,17; Mc 1,11;Lc 3,22).
“Toen nam Jezus de broden en na het dankgebed gesproken te hebben, liet Hij ze uitdelen.” Straks ontvangt ook u het brood uit de handen van de priester en door de priester uit de handen van Jezus, maar meer nog uit het Hart van God. Hij deelt zijn eigen Zoon aan u uit. Daar proberen doorheen te kijken, dat noemen we geloof. Geloven dat is: er iets in zien, er méér in zien, er zoveel in zien dat we ook inderdaad in dat brood God zelf in handen krijgen. Niet zeggen: we houden God in handen, maar gelovig zeggen wij: God heeft mij in de hand en dat is mij genoeg. Dan loopt het goed af, dan overleef je de nood, dan komt alles goed terecht, en tenslotte kun je dan zeggen: “De Heer is mijn Herder, het ontbreekt mij aan niets.”